zingevingskaders

aantal werkstukken : 6
van elkaar gescheiden door deze afbeelding:
https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

Er zijn 2 betekenissen van het woord zin: 1) ‘zin van’ hiermee wordt nut, of doel bedoeld. Je kan jezelf dagelijks afvragen of je de zin van de dingen die je doet, wel inziet. Ben je bezig op de automatische piloot, of gaan deze handelingen die ik doe nog ergens over? Voltooiing in het heden is nodig voor het ervaren van betekenis in de zin van ontplooiing. (7) 2) ‘zin in’ houdt verband met plezier of juist geen plezier. Dagelijks kom je dingen tegen waar je zin in hebt en waar je minder plezier aan beleeft. De kunst is om die laatste zo te beleven dat het dan in ieder geval zinvol was, maar dan zijn we weer terug bij de eerste betekenis van zin. Ik noem dit zelf zorgen voor zin in dingen ‘leven met de stroom mee’.
Zingeving In dit woord kom je ‘zin’ en ‘geven’ tegen. Zorg zelf voor zingeving door de 2 betekenissen van zin met elkaar te combineren. Zodat ze elkaar versterken. Als je ergens geen zin in hebt, kan je dat nare gevoel omzetten zodat je in ieder geval wel de zin van deze handeling inziet. Soms heb je geen zin om de was te doen, maar wil je ook schone kleding aan en van die uitpuilende wasmand word je ook niet blij. Rijkdom is als je jezelf zin kan geven als je opziet tegen bepaalde handelingen. Dus: ZIN zelf maken. De mens is een intelligent aapje (1) en zin geven aan je leven is een zaak van je gevoel, verstand en verbeelding te gebruiken.
Zingevingskaders Een kader is bedoeld om iets te omvatten en kan dienen als afscherming, beperking, ter verduidelijking, verfraaiing. (Wikipedia) Zingevingskader kan zin verschaffen. Enerzijds geeft dit kader zin aan de mens om de wereld te begrijpen. En anderzijds om structuur te geven, zin geven “in geval van nood”. Als je uit je evenwicht bent, als gevolg van een verrassing, een ervaring die je even niet zag aankomen waardoor je verstand even ‘Ho!’ zegt, kan je op zo’n moment terug vallen op je eigen zingevingskader. Wat vind ik in de basis belangrijk? Wat mij opvalt is dat wij ’t heel normaal vinden dat: *scholen elke 4 jaar ‘schoolplannen’ maken, *bedrijven ieder jaar begrotingen opstellen, *topsporters trainingsschema’s maken, *André Kuipers zijn ruimtevaartplanning maakt enz. maar dat er weinig mensen voor zichzelf een planning, een kader voor hun leven maken. Ik zou dat ook heel normaal vinden. En dan jaarlijks bijstellen wat je belangrijk vindt. Om te blijven bloeien. Aandacht voor dingen en gebeurtenissen, met verstand, gevoel en verbeelding: denken & doen, samen & alleen, heden & verleden, bewust & onbewust. Altijd in beweging. (bron: les inleiding levensbeschouwing)
Soorten zingevingskaders Theocentrisch kader Als je dit theïstisch kader aanhangt dan voel je je verbonden met een transcendente en geestelijke entiteit die de oorsprong van de kosmos is. Die entiteit heeft wel geschapen maar is zelf onveranderlijk en eeuwig. God of Godsidee staat centraal. God is het begin en het einde en gebeurt overal en altijd. Je gaat uit van de vooronderstelling dat je in relatie kan treden met deze entiteit en geeft je perspectief op leven na de dood in zijn nabijheid. Je staat onder de bezielende leiding van iets of iemand. En gehoorzaamt daaraan, geeft antwoorden en hierdoor houvast. Nihilisme Is eigenlijk meer het ontbreken van een zingevingskader, omdat alle vooronderstellingen van alle zingevingskaders onjuist zijn. Het leven heeft geen zin. Het is zinloos omdat er iets aan ontbreekt . Bewustzijns gecentreerde zingevingskaders In dit spiritualistische kader vind je richtlijnen die streven naar een bijzondere bewustzijnstoestand waarin bevrijding of verlichting optreedt. Deze toestand is belangrijk, de basis van het huidige leven. Seculiere zingevingskaders Het leven ontwikkeld zich gescheiden van geloof en kerk. Beperkt zich tot het natuurlijke, aardse leven. Heeft geen ‘buitenaardse’ entiteit nodig.
Waarde en waarheid zingevingskader Ieder kader claimt zijn waarheid om geloofwaardig te zijn. Zijn werkelijkheid ervaart. Ik zie dus niet waarom onwaarheid de waarde van iets zou kunnen ondermijnen. Respect voor het bonte palet aan zingevingskaders houdt volgens mij in dat je juist niet op zoek gaat naar DE waarheid. Want die bestaat niet. Het is zijn/haar waarheid. Zolang je dus niet op zoek gaat naar DE waarheid, kunnen zingevingskaders pluriform naast elkaar bestaan. Het ene kader bevat waarden voor de ene persoon en het andere kader bevat waarden voor de andere persoon. De spirituele waarheid in die persoon. Zolang het van waarde is voor iemand om ergens in te geloven dan mag dat. Dus vraag je niet of ‘God’ bestaat: voor de één wel, en voor de ander niet. Punt! Dat houdt andersom ook in dat bekeren niet nodig is. Daarom heeft je eigen kader altijd aandacht nodig, onderhoud, bijstelling zodat je niet alleen open staat voor andere waarden (differentiatie) maar ook kunt begrijpen dat er mensen zijn die ergens anders over denken, aan andere waarden belang hechten. En daar misschien zelf weer iets mee doen (integratie)
Eigen zingevingskader Hoe zie ik de werkelijkheid? Ik zie de dingen dat ze zijn zoals ze zijn. Het is zoals het is. Het is.
Hoe zie ik de plaats van de mens in deze werkelijkheid? De mens is de mogelijkheid om dingen te veranderen die zijn zoals ze zijn. Wij zijn als mensen allemaal met elkaar verbonden, leven in harmonie. Voor elk wezen op aarde is een eigen plek en zin te vinden. (8) Ik geloof in de goedheid van mensen. Wij kunnen onderling verschillen en toch mens zijn. (9)
Wat doe ik om een zinvol leven te leiden? Ik zorg goed voor mezelf en hierdoor ook voor anderen. Dat vind ik zinvol. Ik denk dat HET leven op zich geen zin heeft. We worden geboren en gaan weer dood punt. Overleven is een instinct.(8) Iedereen weet zelf het beste wat goed voor hem/haar is. Lev Tolstoi: “Als de mens leeft, moet hij ergens in geloven. Zou hij niet geloven dat zijn leven ergens toe dient, dan zou hij niet leven.” (15) Mijn leven is niet pas zinvol als ik weet waartoe het dient. Twijfel slaat als ik eerlijk ben wel toe als Victor Frankl Nietsche citeert: “Hij die een reden tot leven heeft, kan vrijwel alle levensomstandigheden verdragen” (19) Want dat begrijp ik weer wel. Ik heb nog geen vreselijke dingen in mijn leven mee gemaakt, waardoor ik moest ‘overleven’ dus wellicht dat dit scheelt. Ik leef nu en geef dus zelf zin aan mijn leven, en geef hierdoor ook zin door. Mijn doel is om op mijn eind terug te kijken op een goed mens.
Wat zou ik moeten doen om een zinvol leven te leiden? Zinvol is voor mij hartstochtelijk bezig te zijn met dit doel door regelmatig dingen te doen waar mijn hart sneller van gaat kloppen. Hiernaar luisteren is dan wel handig….
Welk type zingevingskader past bij mij? Het zal geen verrassing zijn dat het aardse leven bij mij past. Tijdens de lessen zingevingskaders probeerde ik niet in hokjes te denken maar kon ik weinig aansluiting vinden. Ondanks dat ik dingen wel kon plaatsen bleef het grote vraagteken boven mijn hoofd hangen. Pas toen in les 6 ‘het aardse leven’ ter sprake kwam ervoer ik een soort rust: JA! De waarde van de mens staat centraal. JA! Socrates: vertrouwen op je eigen verstand. JA! Geen opperwezen of hogere bewustzijnstoestand. JA! Gebruik natuurlijke vermogens om iets te bereiken voor jezelf en anderen. JA! Het wezen van de mens blijft tweeslachtig, hij blijft een dier (intelligent aapje) JA! Progressie: zelf sturing kunnen geven. (dan ook zelf verantwoordelijk!) JA! Vrijheid in verbinding. JA! Het leven heeft slechts één zin en betekenis: de daad van het leven zelf. JA! JA! JA!!!
Ik geloof in zelfredzaamheid, iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk en ik ben daarvan niet afhankelijk van iemand of iets. Dat betekent wel dat ik mij regelmatig eenzaam voel. Als ik Fromm lees over 2 behoeften van de mens: 1) nauw verbonden voelen 2) en tegelijk vrij zijn (10) dan herken ik dat wel. Omdat ik mij niet nauw verbonden voel met iets of iemand kan ik mij alleen voelen in mijn taak. Ik heb gedacht dat dat kwam omdat mijn vader is overleden en mijn moeder mij niet van dienst kan zijn, maar nu zie ik dat dit komt omdat ik mijn leven niet graag laat bepalen door iets of iemand. Dat zou mij nl. ook een excuus kunnen geven als iets niet lukt. Nu ben ik ‘gewoon’ zelf verantwoordelijk. En daar hou ik van: ‘met je hoofd in de wolken en je benen op de grond’ (5)
Ik kan mij overigens niet vinden in de ballast van Epicurus: streven naar het goede leven zonder religieuze ballast. Omdat ik de ballast niet zo ervaar zoals hij dat ervaren heeft, maar dat komt waarschijnlijk door de verschillende tijden waarin we leven. Ik durf zelfs te beweren dat ik sommige religieuze rituelen wel mis in onze huidige maatschappij. Bidden voor het eten zou een manier zijn om even stil te staan bij het leven. Dankbaarheid ervaren. Wekelijks op zondagochtend elkaar treffen en even vragen hoe het gaat zou voor mij een welkom ritueel zijn. Ik betreur het verloop van de geschiedenis die redenen heeft gegeven om de kerk zo volledig de rug toe te keren.
Waarom passen de andere types minder bij mij? Ik ben geen liefdeloze proleet (16) maar het theïstisch kader pas minder bij mij omdat ik niet geloof in een leven na de dood en ik de gedachte dat ik dit leven nu ‘doorsta’ voor iets mooiers in het vooruitzicht niet toejuich. Geluk uit handen geven vind ik dat. En mensen een paradijs beloven om het leven nu te doorstaan is niks voor mij. Wel kan ik mij voorstellen dat je je veilig kan voelen bij een goed, almachtig, alwetend figuur. Ik kom wel eens oudere, wijze mannen (mijn huisarts bijvoorbeeld) tegen, bij wie ik mij veilig voel en zou dan wensen dat dat mijn vader zou zijn: iemand dicht bij je waar je met je vragen heen kan. Iemand die je richting geeft. Het ontbreken van zo een figuur in mijn leven laat mij wel lekker in de waan dat ik goed bezig ben. Religie: verbinding met andere/andere. Ik voel mij wel verbonden met iets of iemand die ons allen overstijgt. Maar woorden voor wat dat dan is, heb ik nog niet gevonden. Ook de richtlijnen voor gedrag en de daaraan gekoppelde gehoorzaamheid staat mij niet aan omdat ik geloof in de goedheid van alle mensen, altijd. Ik word zenuwachtig van de gedachte dat ik zondig bezig ben als ik mij niet aan een regel zou houden. Zoals Thomas van Aquino ten diepste kan verlangen naar niets anders dan de nabijheid van God is voor mij een bijzonder doel. Ik ga wel een heel eind mee met de kosmologische argumenten van Craig. Deze logische redenering van: elke gebeurtenis heeft een oorzaak en de oorzaak van het bestaan van het heelal moet dan hierbuiten gevonden worden DUS kan niet anders dan een zeer intelligent en machtig iets of iemand, DUS God zijn, klinkt goed, ik ga bijna twijfelen, maar als ik dan denk aan dat toeval ook kan bestaan stopt bij mij de logische redenering bij het woordje God.
Het nihilisme past minder bij mij omdat ik het zo negatief vind. En zo ben ik niet, ook omdat ik zo niet wil zijn. Alleen het woord crisis al: brrrr…… Af en toe er even induiken en voelen is prima, maar dan gauw er weer uit. Het zoekende van nihilisten vind ik niet gezond. Dit is voor mij ook een vorm van arrogantie dat de mens overal maar antwoorden op moet hebben om een zinloos bestaan tegen te gaan. Vluchten in vragen, vragen en nog eens vragen. Albert Camus: ‘en de wereld die op onredelijke wijze zwijgt’ is dan een excuus voor die negativiteit. Verantwoordelijkheid verleggen noem ik dat. Nederigheid vind ik dan op zijn plaats. Dat de antwoorden komen op het moment dat je ze nodig hebt. Nu heb ik geen antwoord op de ‘waar heen’ vraag. Nu heb ik geen antwoord op de ‘waar toe’ vraag. Punt. Ik hoef niet alles te begrijpen. Uiteraard kan ik mij verplaatsen in dat gevoel van twijfel en overal antwoord op te willen maar ik kan mijzelf wel herpakken d.m.v. mijn Hollandse nuchterheid. Ik ben er niet bang voor om mij te bezinnen, ik wil mezelf er alleen niet in verliezen. Ik kan mij wel vinden in het gevoel van ‘onvervuld verlangen’, maar de actie die hieruit voortvloeit mis ik in dit kader. Ik kan mij ook voorstellen hoe ‘spirituele leegte’ voelt, maar ervaar dat niet als pijnlijk. Waar ik mij wel ik kan vinden in het Nihilisme is dat HET leven zinloos is. Ik ervaar dat alleen niet zo als een probleem. Want dan ontwerp ik mijn eigen zin van mijn leventje voor de tijd dat ik hier ben. Dat het leven zinloos is maakt het leven niet waardeloos. Die waarde creëer ik zelf.
Het bewustzijns gecentreerde zingevingskader past minder bij mij omdat ik niet geloof in reïncarnatie. Dood is voor mij niet zijn. Verder komt het streven naar een bepaalde toestand op mij over als willen vluchten uit het dagelijkse leven. Ik ben fan van de gedachte ‘met de stroom mee’ en zie ook de beperktheid van ‘alles naar je eigen hand zetten’ en ben ook niet voor geforceerde processen, maar kan mij niet vinden in de oplossing: ‘het niet-doen’. (3) Ik zie wel dat dat iets anders is dan niets doen, maar ik ben nu eenmaal voor ‘actie in de tent’, ‘niks voor niks’. Innerlijke rijkdom zal ik niet bereiken door te vissen of op een kleedje te gaan zitten. Natuurlijk is dat af en toe nodig om je geest tot rust te brengen, om het grote geheel weer even te zien. Uit-zoomen noem ik dat. Maar niet meer dan dat. Wel ben ik mij ervan bewust dat ik hier te weinig kennis van heb. Die mensen stralen vaak een soort jaloers makende rust uit, waar ik ook wel wat van zou willen. Dus ik blijf nieuwsgierig….. Waar ik mij wel in kan vinden:
Als je ze begrijpt, zijn de dingen zoals ze zijn.
Als je ze niet begrijpt, zijn de dingen zoals ze zijn.
Zen  (2)

Wat weet ik nog niet? Waar ben ik nog niet uit? Waar ben ik nog zoekende? Wat heeft het leven voor zin? Wat is er na de dood? Waarom is er zoveel agressie op de wereld? “God mag het weten” (17) Quaestio mihi factus sum: We weten niet wie we zijn en dat zijn wij.(18) Wat ik nu weet is nog maar het topje van de ijsberg. En om mijn visie te verdiepen is regelmatig onderhoud nodig. Als ik mezelf betrap op zoeken stop ik. Ik geloof dat de antwoorden er al zijn, ik zie ze alleen nu niet. Die komen wanneer ik ze nodig heb. Als ik ga zoeken, gaat er van alles aan mij voorbij.
“pas bij een zekere afgestomptheid van de blik, een wil tot eenvoud, vertoont zich het schone, het ‘waardevolle’: als zodanig is het ik weet niet wat”. (4)
Dan voeg ik zelf het woordje nog ertussen en waardeer mijn nieuwsgierigheid!

Is mijn 0 meting veranderd? “Het geschreven woord is maar behelpen” (Plato) Maar je moet ergens beginnen en inhoudelijk is mijn 0 meting niet veel veranderd. Ik kan met woorden niet omschrijven wat een rijkdom dat voor mij betekent! Deze lessen hebben mij veel kennis gegeven over de verschillende visies op het leven. Dit voorkomt vooroordelen. Voor de klas kom ik ongetwijfeld ook kinderen tegen met ‘afwijkende’ meningen. Ik zou kinderen nu beter kunnen helpen hun mening duidelijker te verwoorden. Om iets uit te kunnen leggen moet ik er zelf al over nagedacht hebben. (6) Deze lessen hebben mij ook meer woorden gegeven voor mijn visie. Ik kan mijn visie beter motiveren. Meer verdieping geven. Ik voel mij steviger in het leven staan. Stevige ruggengraat. En meteen hier achteraan: flexibel. Want zo veranderlijk als het leven is, blijft je visie onderhoud nodig hebben!

—–
Prima werkstuk, helder geschreven, verwerkingsvragen vaak wat te summier,
Eindopdracht mooi eigenzinnig geschreven en duidelijk toegelicht,
Goed gebruik van teksten.
Cijfer: 7,3

https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

Hardnekkigheid
Mijn vader die ooit een poosje theologie studeerde in Kampen, drukte me
onlangs met een betekenisvolle blik op het hart dat “men daar altijd zei
dat de wijsbegeerte haar plaats dient te kennen, zij hoort de dienstmaagd
van de theologie te zijn…” En dus niet andersom! Dat laatste zei hij er
niet bij maar ik ken mijn vader* en ik durf te wedden: beter dan hij
zichzelf kent. Wat ik ook maar al te goed ken, is het ‘spreken in
raadselen’ dat in zijn kringen (maar niet alleen in zijn kringen) zoveel
voorkomt. De metafoor van de dienstmaagd is hier een klein voorbeeldje van:
je ziet het voor je, de mooie Sofia in lompen gehuld die zich gewillig
nuttig maakt als een moderne Assepoester, en nóóit komt het goed.. want zo
is het goed tenslotte. Maar de dienstmaagd staat voor veel meer dan dat ene
“sprookjesachtige” plaatje en iedere ingewijde weet dat. Het gaat over
verhoudingen: tussen God en de mensen, tussen mannen en vrouwen, tussen
wetenschap en religie; achter het gebruik van dat ene woordje gaat een
compleet, tot-in-de-details uitgewerkt wereldbeeld schuil, een boodschap
die alleen ten volle begrepen en beaamd wordt door gelijkgestemde
luisteraars. Immers, er is een wereld waarin afstand en nabijheid niet
bepaald worden door kilometers maar door de mate van gelijkgestemdheid. De
vraag is natuurlijk of deze ‘andere’ wereld ook de wereld is waarin die
eensgezindheid in denken, voelen en vooral ook het handelen zijn oorsprong
heeft.
Kort geleden stuitte ik op het artikel De illusie van het vlieden van de
tijd (1) en de auteur, Bart van Heerikhuizen, begint dit artikel als volgt:
“Wie zich aan een universiteit bezig houdt met het verschijnsel wetenschap,
zou zich niet uitsluitend in één enkele wetenschap moeten verdiepen. De
grote Steinmetz zei het al: ‘wie slechts één wetenschap kent, kent ook deze
niet’. Sociologiestudenten hebben gelukkig ook belangstelling voor
antropologie, politicologie en geschiedenis, maar voor de meesten is de
natuurkunde een beetje te ver van hun bed. Dat is begrijpelijk. Maar het is
ook jammer.”
Ook mijn vader die een brede belangstelling heeft, heeft zich nog een
blauwe maandag in de sociologie verdiept aan de Universiteit van Leiden.
Maar van psychologie weet hij niets, en ik verdenk hem ervan dat hij dat
graag zo houdt. Een psycholoog zou hem zomaar kunnen vragen wie die
dienstmaagd eigenlijk is, en waarom hij het dan niet gewoon over diegene
heeft. Wat houdt hem tegen? Maar dat bedoelt hij niet, uiteraard!
Anders dan bijvoorbeeld sociologen en theologen, nemen psychologen geen
genoegen met verklaringen die impliceren dat er buiten de handelende mensen
zelf om nog een andere (‘cultuur’) of hogere (‘god’) instantie is die het
gedrag van mensen bepaalt. Het gebruik van metaforen is in die opvatting
een verlegenheidsoplossing, en verraadt nu juist dat men eigenlijk niet zo
precies weet wat er aan de hand is in en tussen mensen. De psychologie
bestudeert de mens en het (on)vermogen van de mens om de werkelijkheid te
zien. Uit het simpele feit dat ook wetenschappers mensen zijn, volgt dan
noodzakelijkerwijs dat ook hun wetenschap onderhevig is aan de beperkingen
van de mens, hoezeer ook geprobeerd wordt te abstraheren of de observaties
en conclusies onafhankelijk te maken van de grenzen van het menselijke
intellect.
Over cultuur gesproken, in hun boek ‘Cultuur en Lichaam’ (2010) definiëren
de psychologen Voestermans en Verheggen cultuurpsychologisch onderzoek als
dàt onderzoek dat zich richt op gedrag dat meerdere individuen kenmerkt en
dat door hen als ‘natuurlijk’ en authentiek wordt ervaren. De auteurs
betogen dat geloof één van de domeinen is waarin ‘cultuur’ bij uitstek tot
uiting komt. Cultuur, en dus ook geloof, hangt volgens hen altijd samen met
wat er tussen mensen onderling geschiedt, en dat onderlinge gebeuren is op
zijn beurt altijd weer een aangelegenheid van overtuiging, authenticiteit
en betekenis: “Je geloof in iemand, in de zin van iemand werkelijk de
moeite waard vinden, kan niet worden afgedwongen door iets anders dan wat
er zich tussen jou en die persoon afspeelt.” Ik vind dat een mooie zin, al
was het maar omdat dit zinnetje aanleiding geeft tot veel verschillende
gedachten, en aanknopingspunten biedt voor datgene wat ik, later in dit
essay, zal proberen aan te tonen.
Maar eerst een ander citaat waar ik om geglimlacht heb toen ik het tegen
kwam in een discussie op een online forum: So you believe in an “Impersonal
God”? What on earth is the use of that?? Uit bovenstaande uitvoerige
inleiding is wellicht al enigszins voelbaar dat ik mijn vragen heb bij de
begrippen zin, zingeving en zingevingskaders zoals wij die tijdens de
colleges besproken hebben. Dat zijn geen nieuwe vragen. Het gaat om vragen
die ik mezelf gesteld heb zolang als ik me kan herinneren, in steeds weer
nieuwe vormen. En het kan goed zijn dat ook mijn antwoord in wezen altijd
weer op hetzelfde neerkwam. Dat antwoord, in
vereenvoudigde vorm, is wellicht het best verwoordt zoals het op die ene
ansichtkaart die ik me uit mijn jeugd herinner, staat. Er stond op: Als ik
maar hardnekkig blijf geloven.
Waarin, dat ‘wist’ ik al, dat was duidelijk en nooit anders geweest, al
verschilden de omschrijvingen per periode. Soms was het ‘wat het dan ook
was’, dan weer ‘wie je dan ook bent’, en soms zei ik dat ‘ik niet eens meer
in je wil geloven als je zo bent!’ – dat lukte niet, het zat “in mijn
bloed”. Uiteindelijk wist ik mijn god nog maar één ding te zeggen, namelijk
dat ik hem vertrouwde, wat hij me ook aandeed.
Daar heb ik geen spijt van.
En wat ik destijds ‘wist’, daarvan kan ik inmiddels zeggen dat ik het weet
– zonder het woord nog tussen aanhalingstekens te hoeven plaatsen. Wat ik
zocht, heb ik gevonden, en wat ik me ‘herinnerde’, heb ik me herinnerd. Wat
ik dacht te komen doen, en waarvan ik bang was dat ik er een heel leven
over zou doen, dat is gedaan.
En nu?
Er zijn twee hoofdbetekenissen te onderscheiden van het woord ‘zin’, zo
begonnen we deze collegereeks. Zin van en zin in. Ik denk eigenlijk dat ik
die twee nooit los van elkaar heb gezien, met dien verstande dat ik bijna
per definitie zin heb in wat zin heeft. En ik zou daar aan toe willen
voegen: zelfs als ik er geen zin in heb.
Niet dat ik altijd weet wat de zin is. Dan kom ik daar, vroeger of later,
wel achter. Vroeger of later voor mij, want, om nog maar eens Het vlieden
van de tijd erbij te halen, al ben ik geen Einstein ook ik geloof dat de
sensatie dat er verschil is tussen verleden, heden en toekomst op een
hardnekkig misverstand berust, in die zin dat de tijd alleen voor ons
‘bestaat’. Maar ik geloof ook dat we, paradoxaal genoeg, juist de tijd aan
onze kant hebben om dat misverstand – maar zeker niet alleen dat
misverstand – op te lossen. (En dat oplossen kost tijd!) De tijd is dus
onze vriend, een beetje zoals onze grote vijand de Dood onze vriend is: Why
is there death in the world? So that evil will not live forever. Zo bezien
is de dood een zekere bron van geruststelling…’this too shall pass’. Daar
kunnen we van op aan.

‘Zin’ en tijd hebben dus veel met elkaar uit te staan. Maar ik zie ook een
probleem. Ik zal dat proberen te verduidelijken aan de hand van een artikel
van Adin Steinsaltz, getiteld Time and Purpose in Mathematics and Science
(2). Steinsaltz stelt dat alle vragen te herleiden zijn tot drie
fundamentele vragen, namelijk “What?” (de vraag naar het wezen van de
dingen, hun definitie en
identiteit, en hun verhouding tot andere entiteiten), “How?” (de vraag naar
reden en oorzaak), en “What For?” (de vraag naar doel of bestemming). Het
is de wetenschap die zich vooral bezighoudt met het “how”, zegt hij, het
“what for” is het domein van de religie. De wetenschap gaat over het
verleden, immers, alleen wat er al is kan met zekerheid worden aangetoond.
Het doel van de wetenschap is, zo zou je kunnen zeggen, om het verleden met
het heden te verbinden. De religie daarentegen begint “in de toekomst” (het
geformuleerde doel) en probeert van daaruit een verbinding te maken met het
heden. Steinsaltz concludeert dat “any question of purpose is, in essence,
a religious question”. Tot zover, niets aan de hand.
Het wordt interessanter als hij het volgende stelt: “Any religion, by its
very essence, deals with the question of purpose. Moreover: the ethical and
legal systems of any religion are, in a sense, a projection of the
definition of its purpose.” En dan zegt hij iets echt belangwekkends:
“Philosophically speaking, any question we ask is a human question, which
depicts things in a way that will make them meaningful to our thinking
processes. Scientific thinking, by nature, is one way of assuming causality
in objective reality; and if one insists, one can say that things happen
the way they do, and that personally, he is not interested in why it is so.
But since this question is a human question, it is a question that human
beings ask because they are human beings. Just as they strive to connect
the past and the present in their effort to understand the “How”, so they
strive to connect the future and present in an effort to solve the question
of “What For”.”
Ergo, wetenschap zowel als religie (en hoe onderscheiden zijn die twee
eigenlijk?) kunnen de mens misschien tijdelijk zin verschaffen, maar die
zin is dan wel heel betrekkelijk, althans in mijn visie. Net zo
betrekkelijk als de zingevende ‘instantie’ – mensen. Mensen, zoekende
mensen, die zich liefst niet geconfronteerd zien met echt moeilijke vragen
en hun toevlucht nemen in één of ander zingevingskader (of dat simpelweg
nooit verlaten).
En nu komen we terug bij Voestermans en Verheggen (3), want als we
zingevingskaders inderdaad kunnen definiëren als “in de traditie of cultuur
opgeslagen systemen van zingeving waarin de zoekende mens die de zinvraag
stelt of er zich mee geconfronteerd ziet, zijn toevlucht kan nemen”, dan
kunnen we niet alleen ‘cultuur’ reduceren tot gedragspatronen, maar ook de
bovengenoemde systemen tot ‘gedragsregels’. Wat precies de onderliggende
motieven zijn voor deze regels waaraan mensen zich maar al te graag
onderwerpen, dat blijft de vraag. En dat is nu net weer zo’n vraag die homo
religiosos liever niet beantwoord ziet. Man’s ultimate concern is nou
eenmaal niet altijd wat man’s ultimate concern mijns inziens zou moeten
zijn. Maar ik ben dan ook redelijk wars van pragmatisme en heb ‘waarheid’
altijd streng boven ‘waarde’ gesteld – en mocht de waarheid mij niet
bevallen dan is het dus zaak om mij te veranderen, en niet het feit dat
voor me
ligt (al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ik mezelf nooit heb
toegestaan het waarde-aspect totaal te vergeten; ik heb het eerder
“verborgen”, zelfs voor mij).
Of Voestermans en Verheggen gelijk hebben daar wil ik als leek overigens
van afblijven, maar hen reductionisme zelf verwijten dat gaat me te ver,
want is reductionisme niet het wezenskenmerk van wetenschap?
Maar nu, op grond van bovenstaande, kunnen we twee belangrijke vragen
stellen. De eerste is of er überhaupt plaats is voor de religie zoals
geformuleerd door Steinsaltz. En de tweede is die naar de waarde en
waarheid van de vier typen zingevingskaders zoals geformuleerd tijdens de
colleges (theocentrische kaders, nihilisme, bewustzijnskaders en seculiere
kaders).
Gesteld dat Einstein gelijk heeft, en verleden, heden en toekomst in
werkelijkheid “gelijktijdig” plaatsvinden, is het dan niet beter om die
werkelijkheid te benaderen door middel van de wetenschap? Het verleden
biedt immers zekere kennis (“Ik zou haast willen zeggen dat geweest zijn de
zekerste zijnswijze is.” – Frankl), terwijl de religie die zich met
toekomstmuziek bezighoudt noodzakelijkerwijs een (groter of kleiner)
element van speculatie in zich draagt. De religie mag dan ‘heden en
toekomst verbinden’, maar wie garandeert dat die verbinding er ook in alle
gevallen daadwerkelijk is? Dat kan, in alle gevallen, pas achteraf
geverifieerd worden. Maar er is nog een verdergaande consequentie van het
samenvallen van heden, verleden en toekomst, en dat is natuurlijk dat er
geen enkele grond meer is om te beweren dat iets zin heeft vanwege iets
anders dat zich vroeger of later op de tijdlijn bevindt.
Het goede nieuws, al blijft het theorie, is daarentegen dat we in dat geval
de aloude uitspraak ‘eerst zien dan geloven’ nu ook straffeloos mogen
omdraaien; mits we ons houden aan de voorwaarden en ons waarnemen (zouden
kunnen) perfectioneren.
Ervan uitgaande dat (a) elke vraag een menselijke vraag is, en (b) dat elk
van die menselijke vragen uiteindelijk altijd weer neerkomt op die ene
niet-te-beantwoorden vraag – de zinvraag – dan lijkt het mij niet onlogisch
te veronderstellen dat juist die vraag, die ene vraag, een on-menselijke
oorsprong heeft. Maar is dat zo? Is elke vraag een menselijke vraag? Of
kunnen we pas menselijke vragen stellen als we, zoals joden het zeggen,
eerst menschen zijn?
En hoe zit het met dat Nu waar een Eckhart Tolle zo idolaat van is? Bestaat
dat überhaupt? En als het bestaat, kan ik dan nog bestaan – in het ‘Nu’?
Als ik ‘nu’ zeg, is het al voorbij. Voor ik het weet is het weg. So much
for ‘bewustzijns’-kaders.
Het nihilisme heeft gelijk. Je kunt alles dood relativeren. Alles valt te
reduceren tot niets. En als alles betekenis zou hebben, wat heeft dan nog
betekenis? Sartre ging iets minder ver (of ging hij nou juist verder?): hij
liet zijn hoofdpersoon in De Walging aan de voet van een boom de boel
reduceren tot een homp. Een vormeloze, niet weg te denken homp. En hij kwam
op het lumineuze idee dat die amorfe massa vrijheid betekende: de vrijheid
om iedere mogelijke vorm aan te kunnen nemen. Zoals een onschuldig
babygezichtje dat haar vorm nog moet krijgen, en dan het liefst zonder die
onschuld te verliezen. Al is dat een welhaast onmogelijke opgave. En
verloren onschuld hervinden én herkennen als zodanig, dat is nog
moeilijker. Maar daarom nog niet onmogelijk, al vereist één en ander een
behoorlijke dosis hardnekkigheid. Niets is onmogelijk.
Niets is onmogelijk – en zelfs dat niet, zo moet Fromm bij zichzelf gedacht
hebben toen hij om zich heenkijkend enkel slaven ontwaarde waar hij mensen
verwachtte, en somber concludeerde dat ‘In the 19th century the problem was
that God is dead. In the 20th century the problem is that man is dead'(4).
Bij zijn analyses van deze situatie zal hij ongetwijfeld ‘het diensthuis’,
Egypte betrokken hebben en de daaropvolgende uittocht, de jaren in de
woestijn en de verhalen over Mozes en zijn ‘stiff-necked people’.
Of misschien ook wel Abraham die als eerste mens in de Bijbel de opdracht
kreeg om zichzelf te bevrijden van alle natuurlijke banden (biologische én
culturele) en te gaan ‘naar het land dat Ik u wijzen zal’: Lech lecha, wat
vertaald zou kunnen worden als ‘Ga naar jezelf’, zoals Fromm ongetwijfeld
wist. En het hield niet op bij die banden, het ging ook om overtuigingen,
om gevoelens, handelingen, gebruiken en gewoonten. Dat is geen sinecure. En
vereist een onmenselijke hoeveelheid hardnekkigheid.
Caputo mag dan lyrisch raken over de vraag van Augustinus, en over de
liefde die alles vermag en die je jezelf doet vergeten, in de Bijbel valt
er niet veel lyriek te ontdekken aan ‘bekering’. Of toch wel?
Hier is het de meest extreme overstap die men kan maken tussen twee kaders:
een overgang waarbij de gehele mens betrokken is, met huid en haar, en tot
in het merg.
Als de beide weduwen Ruth en haar zuster Orpah (wiens naam ‘hardnekkig’
betekent) door hun schoonmoeder Naomi aangespoord worden terug te keren
naar hun geboortegrond, draait Orpah zich om. Maar Ruth laat zich niet
tegenhouden. Ze weigert, zich ten volle bewust van de consequenties: “Waar
u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en
uw God is mijn God. Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik
begraven worden. De HEER is mijn
getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden!” (5) Daar had ze namelijk
ervaring mee. En in het licht van zo’n ervaring krijgen alle theologische
praatjes, hoe oprecht, hoe diepzinnig ook, toch, en voor eeuwig en altijd,
iets zouteloos.
En Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je
schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en
je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen
onbekend was. Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God
van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’ ‘Ik dank u,
heer,’ zei ze, ‘want u hebt zich mijn lot aangetrokken en mij moed
ingesproken, hoewel ik niet ben als één van uw dienstmaagden.’

Cijfer: 8.2
“Mooi werkstuk, stilistisch goed, eigenwijs, onderzoekend,
Vragen open houdend. Wat weinig dialoog met teksten.
Eigen positie is of erg subtiel of blijft enigszins verborgen.

https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

Inleiding.

Ik zag er nog al tegen op om een nieuw zingevingskader te schrijven. Het is veel werk en nooit volledig. Ik had er niet veel zin in. Ik besloot om delen van mijn nul meting te bevragen door wat we in de lessen over de verschillende kaders besproken hebben en te vergelijken met wat er in de verschillende behandelde kaders gezegd wordt. En dan te kijken wat dit mij zou opleveren.  
Wat is zin:

Zin heeft te maken met ergens de zin van inzien. Iets heeft zin. En ook met ergens zin in hebben. We kunnen ergens zin in hebben zonder dat het zin heeft. We kunnen iets zinvol vinden en er geen zin in hebben. We kunnen ergens zin in hebben en het zinvol vinden. Deze twee vormen van zin beïnvloeden elkaar.
De zin van iets heeft vaak te maken met contextoverschrijding. Iets heeft zin als het zijn eigen context overschrijdt en verwijst naar een wijdere context. Een probleem hierbij is dat deze contextoverschrijding stopt door de dood. Dit probleem kan opgelost worden door het geloof in een leven na de dood. Religies zijn vaak gericht op de zin van het leven en geven een oplossing voor het probleem van het stoppen van de contextoverschrijding door de dood. Ze doen dit door een eeuwig leven in het hiernamaals in het vooruitzicht te stellen. Maar dit geeft weer het probleem dat een leven na de dood geen contextoverschrijding kent en dus zinloos en saai is.
Een oplossing kan zijn de zin van het leven niet te zoeken in de contextoverschrijding. Een voorbeeld hiervan is de zin van het leven te vinden in de zin in het leven. Al mijn handelen ( = bewust gedrag) heeft zin, ook al is het tijdelijk, contextoverschrijding is niet nodig. Het Taoïsme en Zen zijn gericht op deze manier van zingeving. Hier kan een probleem worden ervaren als de zin in wegvalt bij verveling of als de omstandigheden zoals verdriet en pijn het onmogelijk maken ergens zin in te hebben. Remedies zijn: bewegen, dingen doen waar je blij van wordt bij verveling. En proberen je omstandigheden te veranderen of ze anders te bezien, bijvoorbeeld door er een betekenis aan te geven ( Frankl , Logotherapie)
Zin heeft te maken met de verwachting dat een bepaalde activiteit zal bijdragen aan mijn geluk. Bovendien bestaat ook nog de mogelijkheid dat het leven zinloos is.

Zingeving.

Het lijkt een actief proces. We zijn er handelend mee bezig. We stellen doelen om onze huidige context te overschrijden, en we zijn actief bezig met waar we zin in hebben als we de zin van het leven beleven als de zin in het leven. Toch is het ontstaan van zin niet vanzelfsprekend. De ervaring van de zin wordt steeds bedreigd. Onze handelingen zijn relatief omdat onze doelen steeds bereikt worden en doordat ons leven eindig is. Wij kunnen zelf geen doel stellen wat ons leven overstijgt, we kunnen dus ook niet zelf ons leven als geheel zin geven. We moeten dus of genoegen nemen met de zinloosheid van ons leven als geheel of een bovenmenselijke instantie bedenken die ons leven als geheel zin kan geven. We komen dan uit bij religie.
En ook de zin in het leven wordt steeds bedreigd, door omstandigheden als tegenslag en negatieve gevoelens maar ook door de onvrijheid (door ziekte of omstandigheden) om te doen waar men zin in heeft. Oplossing hiervoor is, behalve de omstandigheden veranderen proberen de omstandigheden anders te zien. Dit is niet zo gemakkelijk. Dat kan een mens niet alleen, hiervoor moet hij op de schouders van anderen gaan staan die hier over nagedacht hebben. Liefst op verschillende denkers die ook vaak weer voortbouwden op andere begaafde denkers. We doen ons voordeel met wat deze bedacht hebben en we voelen ons hierdoor ook verbonden met deze mensen omdat deze dezelfde problemen ervaren hebben en onze hoop en wanhoop delen. Zingeving is niet alleen een kwestie van gevoelens maar ook van het verstand. Her-denken. Dit noemen we zingeving.

De verschillende systemen van zingeving die de mens in zijn geschiedenis heeft ontwikkeld en opgeslagen in tradities en cultuur noemt men zingevingskaders. Er zijn verschillende soorten zingevingskaders. Deze hebben wel allemaal een gemeenschappelijke structuur.
Ze bevatten alle de volgende elementen:

1 een metafysica, over de aard ( geestelijk, materieel of onpersoonlijk) en het doel van de werkelijkheid, het bestaande. Dit hangt vaak samen met een opvatting over het ontstaan van die werkelijkheid.

2. antropologie, het mensbeeld. De plaats van de mens in de wereld, de aard en de afkomst van de mens, het doel van de mens, en wat de zin van zijn leven is.

3. ethiek of deugdleer.
Deze volgt vanzelf uit de metafysica en de antropologie. Het doel van de mens kan op een bepaalde manier het beste bereikt worden. De oorsprong en het doel van de wereld hangt samen met hoe je met die wereld omgaat.

Ik noem een paar zingevingskaders die we ook tijdens de lessen besproken hebben.
1. Het theïstische zingevingskader:
Dit is een kader waarbij God centraal staat. Bijvoorbeeld jodendom, christendom, islam.
Het leven krijg zin doordat er iets is wat de natuurlijke wereld overstijgt en omvat. Ik noem dit hier verder God. Wereld en mens komen uit God voort. Wereld en mens zijn afhankelijk van God. God is onvergankelijk, transcedent, geestelijk en toch een persoon met wie de mens in contact kan treden door openbaring, bemiddeling of religieuze ervaring. Het doel van de mens is de nabijheid van God te ervaren. De ethiek is van God gegeven en staat in verband met het zielenheil van de mens voor en na de dood.

2. Bewustzijn-gecentreerde kaders:
Hier is de zingevende instantie niet een God maar een bijzondere toestand van ervaring of bewustzijn. Het transcendente is het bewustzijn zelf. Er wordt gestreefd naar een bijzondere bewustzijnservaring. Er is een aldoordringende onderliggende grond van de werkelijkheid en er is een zelf. Deze twee zijn in principe een en het is de bedoeling dat de mens dit ervaart. De toestand van verlichting is te bereiken door de praktijk. Bijvoorbeeld meditatie. Deze toestand wordt verlichting ,Moksha of Satori genoemd.
Voorbeelden van deze kaders zijn het hindoeïsme, boeddhisme, Tibetaans boeddhisme en zenboeddhisme.
Voor het bereiken van verlichting zijn verschillende levens nodig, reïncarnatie.
De aard van de reïncarnatie wordt bepaald door het handelen in het leven.

3. Nihilisme:

Dit is het ontbreken van een zingeving als gevolg van een waarheidscrisis van het theocentrische kader. Door kritiek op de godsbewijzen, de reductie van religieuze ervaringen tot psychologie, de natuurwetenschap en de theodicee: Als God goed en machtig is waarom laat hij dan het lijden toe. Door wegvallen van het theocentrisch kader als zingeving ervaart men de wereld en het leven als zinloos. Het is een mogelijkheid van het mens zijn. Omdat de mens een zingevend wezen is kan de zingeving ook mislukken. Nihilisme kan een tijdelijke fase zijn als een mens het ene zingevingskader opgeeft en nog geen andere aanvaart heeft. Ook een hele cultuur kan zo’n fase doormaken. Voor de westerse wereld geldt dat het deze fase in de twintigste eeuw heeft doorgemaakt.
Het nihilisme kwam tot uiting in de atheïstisch existentialistische filosofie en in de existentialistische georiënteerde literatuur.

4. Het seculiere zingevingskader. Het aardse leven.

Dit kader verwerpt de stellingen van eerste drie zingevingskaders.
Er is geen God of deze is niet van belang voor de zingeving. Het streven naar een bijzondere bewustzijnservaring wordt afgewezen als geforceerd en een afleiding van wat echt belangrijk is. Het ontbreken van God of een bijzondere bewustzijns ervaring maakt het leven niet zinloos. Het aardse leven geeft voldoende zin aan het leven. Dit is alleen mogelijk als het aardse leven goed en rechtvaardig is. We moeten dus streven naar een goed en rechtvaardig leven voor alle mensen ( en dieren en planten).

Een zingevingskader heeft waarde als het mij zin kan geven en als ik er zin mee kan geven aan gebeurtenissen in mijn leven. Een zingevingskader moet wel waar zijn om die waarde te kunnen hebben. Doordat er verschillende zingevingskaders zijn wordt de waarheidsclaim van deze kaders over wereldbeeld, mensbeeld en ethiek onder druk gezet.
Ook de wetenschap en de theodicee zetten de theocentrische kaders onder druk.

Mijn eigen zingevingskader.

Mijn eigen zingevingskader is een theocentrisch kader. Specifieker gezegd het theocentrisch kader dat op de Bijbel is gebaseerd. Ik wil niet zo maar een God. Ik kies voor deze. Ik sta ingeschreven bij een kerkgenootschap, doe mee aan activiteiten en betaal de kerkelijke bijdragen. Ik zie mijzelf als een ‘bekeerling uit de heidenen’ dat wil zeggen dat mijn geloof sporen bevat van syncretisme van de oorspronkelijk christelijke leer en plaatselijke oude religieuze en culturele gebruiken (Miskotte). Omdat ik een ‘bekeerling uit de heidenen’ ben mag dat ook. Al in het eerste apostelconcilie in Jeruzalem is dit aan de orde gekomen en is er een onderscheid gemaakt tussen christenen uit de heidenen en christenen uit de Joden. Op deze manier ben ik verbonden met mensen en tradities van eeuwen her.
Bij het eerste element van mijn zingevingskader: Hoe zie ik de werkelijkheid, de kosmos, de natuur, kom ik al direct in conflict met de moderne wetenschap die een andere oorzaak voor het ontstaan van de wereld geeft dan het Bijbelse verhaal. Ik kan dit natuurlijk heel goed oplossen door de Bijbelse verhalen hierover te relativeren tot principe verhalen over het wezen van God. Toch blijft er dan wel iets wrikken. De verhalen over schepping van mens en wereld zijn belangrijk voor mij omdat het mijn levensvisie bepaalt: de aarde is niet van jezelf, doe er voorzichtig mee. De aarde is goed geschapen, het is de bedoeling dat de wereld goed is. Een mens moet daar naar streven. Alle mensen zijn in principe broeders en zusters van elkaar, uitsluiting is een zonde, een ontkenning van de schepping. De kosmologische argument van William Craig voor het bestaan van god als schepper is mij te rationeel. Liever zou ik dan de blinde sprong in het geloof maken. (Kierkegaard: Vrees en beven 1843) geloof en rede gaan nu eenmaal moeilijk samen. (Tolstoj, bladzij 76 en 77). Het transcendente of God zie ik als niet samenvallend met mijzelf. Dit in tegenstelling tot de bewustzijns-gecentreerde kaders die stellen dat het zelf en de grond van de wereld een zijn. Dit wil ik zo zien omdat ik het relatieve element van de theocentrische kaders zo belangrijk vind. Voor mij komt uit de Bijbelse verhalen vaak het element naar voren van een God die de relatie met de mens zoekt. ( Genesis 4 vers 9 en vele andere) Ik kies hier dus bewust niet voor een bewustzijns-gecentreerd kader. Niet omdat deze geen zin aan het leven kunnen geven, maar omdat ze voor mij niet goed te verenigen zijn met mijn eigen kader op het punt van het relationele element.
Ik probeer de werkelijkheid als onbezield te zien. (Als een kaartje van God: Met de groeten en kijk eens hoe mooi Ik het bedacht heb.) Dit ook om praktische redenen. Met mijn bevindelijke inslag zou ik al heel gauw geen bloem meer kunnen plukken. En zou mijn tuin door onkruid bezet worden wanneer ik de wereld als bezield zou zien. Ik kan intens genieten van de natuur. Ik kan me er ook helemaal in verliezen.
Toch voel ik mij juist het prettigst als ik mij met de aarde verenig door creatieve arbeid: In de tuin werken. (Fromm: Liefhebben een kunst, een kunde bladzijde 31).
Natuurlijk is er in de natuur en de wereld ook veel akeligs te zien. Ik probeer hier toch steeds, hoe klein ook, iets positiefs in te zien en af en toe probeer ik er iets aan te verhelpen. Er is veel ellende maar er is ook altijd iets goeds. Was ik zelf God dan zou ik de neiging hebben de boel vanwege de ellende onder water te zetten, maar net als God in het Bijbelverhaal zou ik dat toch niet radicaal kunnen.

De plaats van de mens in die werkelijkheid zie ik als handelend en steeds een keuze maken. Zoals de bijbel stelt in Deuteronomium 30 vers 19: ‘Kies dan het leven’. En: ‘De mens heeft altijd het vermogen een eigen houding te kiezen ten opzichte van iedere conditie’.( Frankl, bladzij 154)
Om een zinvol leven te leiden moet je van jezelf houden en van je naaste.
Houden van jezelf betekent voor mij jezelf aanvaarden als mens met al de gebreken die daar bij horen. Aanvaard wat je niet goed doet, neem het leven niet al te moeilijk, vergeef jezelf. Vergeven is niet zeggen: het is niet verkeerd wat ik doe, maar eerder: Het is niet goed maar ik hou er toch van.
Als je van jezelf houdt, hou je vanzelf ook van je naaste, want als je van jezelf houdt doe je wat goed voor jezelf is. Een verbinding in broederschap met alle mensen komt tegemoet aan twee belangrijke behoeften van de mens: ‘Zich nauw verbonden voelen en tegelijk vrij zijn’. (Fromm, bladzijde 70. De revolutie van de hoop.) Dit is dus goed voor je. Bovendien denk ik dat alle mensen een gemeenschappelijke gelijke kern hebben. Het beginsel dat ieder mens de gehele mensheid in zich draagt en dat er in een ander mens niets is wat wij ons ook niet als een deel van onszelf zouden kunnen voorstellen. ( Fromm, bladzijde 81 De revolutie van de hoop). Houd je van jezelf , dan dus ook van de ander. Deze liefde voor jezelf en de ander kun je niet afdwingen. Liefde kan nu eenmaal alleen in vrijheid gedijen.
Goed en kwaad bestaan in mijn zingevingskader. De mens is zoals Frankl beweert Logotherapy bladzijde 154): Altijd in staat om zijn houding te bepalen ten opzichte van een situatie. De mens is dus ook verantwoordelijk voor zijn daden.

Mijn zingevingskader is dus theocentrisch maar er komen ook veel denkbeelden in voor die bij het seculiere zingevingskader horen. Ik moet me dus afvragen of ik wel een theocentrisch kader heb. Veel boeken van Fromm staan stukgelezen in mijn kast. Zijn denkbeelden spreken me dus aan. Ook het stuk van Frankl sprak me erg aan. Fromm zegt,( Gij zult zijn als goden, bladzijde 15) dat hij zich al vanaf zijn kinderjaren met het Eerste Testament en de Talmoed heeft beziggehouden. Hij is er dus door beïnvloed. Frankl herkent een Hebreeuws gebedenboek en wordt hier door geïnspireerd en hij laat de mogelijkheid van het bestaan van een andere dimensie die boven de mens uitstijgt open. (Logotherapie bladzij 138 en 141). Het theïsme en het seculiere zijn dus niet altijd alleen tegenstrijdig.
De vraag of God nu echt een realiteit is voor mij is nu dus aan de orde.
Alweer is het antwoord dat een rationeel antwoord mij hier niet verder helpt maar alleen de sprong in het diepe mij kan helpen. Wat het antwoord is weet ik nog niet.
De zingevingskaders van het nihilisme en het bewustzijn-gecentreerde kader spreken mij het minst aan. Het nihilisme is een boeiende theorie maar zonder zingeving zou ik snel tot langdurige somberheid vervallen. Het is dus uit eigenbelang dat ik daar niet voor kies. Het bewustzijns-gecentreerde kader is ook niets voor mij. Ik ben er niet in opgegroeid en zou het moeilijk vinden me alle onderdelen van het kader eigen te maken en er zingeving aan te onttrekken. Wel kan ik bepaalde technieken, Yoga en Zen-meditatie gebruiken maar slechts als middel. De reïncarnatiegedachte spreekt me niet aan, een leven lijkt me toch wel genoeg en ik vind het focussen op het bewustzijn teveel ten koste gaan van het focussen op de relatie met de medemens. De grond van de wereld en het zelf zijn een is het principe, maar een relatie ga je aan met een ander, iemand die anders is dan jezelf.

Conclusie:
Het bevragen van het kader van mijn nul meting heeft deze niet veranderd maar heeft wel blootgelegd dat ik door verschillende kaders beïnvloed ben. De vraag komt op of nu een theocentrisch of een seculier kader heb. Het bevragen heeft mij inzicht gegeven en mij geholpen mijn zingeving te verwoorden.
Het heeft dus zin gehad.

Hoe ik tot mijn zingevingskader kwam

In mijn kleuterjaren was mijn Godsbeeld een goede man in de hemel, die vruchtbaarheid en groei in stand hield. Wilde je als man en vrouw graag een kindje, dan vroeg je dat aan God en je kreeg het. Wel dacht ik dat je daarvoor het beste op het dak kon klimmen, dat was toch echt veel dichter bij de hemel dan op je stoel.
Ik had maar een zus, was de jongste en vond dat er bij ons ook wel een kindje mocht komen. Op de kleuterschool en in de kerk hoorde ik iets over Pasen en goede vrijdag. God of Jezus was ieder jaar een paar dagen dood begreep ik en ik tobde er over hoe dat dan moest met de wereld, maar gelukkig, ik wist, het is maar voor drie dagen. Op de lagere school leerde ik dat alles goed kwam als je maar vast geloofde dat Jezus voor je was gestorven en opgestaan. En ik geloofde dat vast. Later kwamen er toch barstjes in dit geloof. Via vrienden en boeken maakte ik een uitstapje naar het geloof in de bezielde natuur en het holisme. Algauw beviel dit toch niet meer en werd ik er kritisch op. Ondertussen zat ik in een relatie die op zijn zachts gezegd niet goed voor me was met een alcoholist. Ik bleef wel boeken lezen, en door een boek van Dorothy Solle kreeg ik de kracht om me uit deze relatie los te maken en mezelf weer op de rails te zetten. Ik ging mede hierdoor op zoek naar een kerk en kwam bij toeval op een keer bij een geweldige predikant, vers van de universiteit van Amsterdam. Ik zwijmelde bij zijn heerlijke stem, en genoot van de goeddoortimmerde preken. De predikant ging weer weg, een andere kwam, ik kwam minder in de kerk maar volgde het ene leerhuis na het andere en ben er tot nu toe niet meer mee gestopt.

Mijn zingevingskader.

Deze wereld is vol Goden en idolen, zoals macht, geweld, economie, potentie, het Al, het zelf , afkomst en omstandigheden, en nog vele meer waarvan ik me niet eens bewust ben. In deze wereld vol goden en machten heeft zich lang geleden een God geopenbaard aan Mozes, een vondeling en moordenaar, op de vlucht voor de machthebber van zijn land. Deze God, die eigenlijk niet door het woord God gevangen kan worden, was anders dan de reeds bekende goden. Ze stijgt uit boven de menselijke ervaring, ze is onbegrensd, onbenoembaar voor een mens. Anders dan de bestaande goden is deze niet machtig door vruchtbaarheid en macht te kunnen bepalen, maar door te dienen en de mens te zien en zijn lijden te kennen.
Als Mozes met deze openbaring naar het slavenvolk in Egypte gaat en hen verteld dat deze god hen gezien heeft en weet hoe zij lijden, komt bij hen besef op: als deze God werkelijk God is, en als deze de oude Goden hun plaats kan wijzen, dan zijn die oude Goden toch niet zo machtig. En dan kunnen we misschien hier ook wel weg. En ze gaan nog ook.
Daarom is deze God machtig, hij is machtig over de goden die ons vasthouden en
kan ons daar van losmaken. Deze god, die ongrijpbaar is, maar wel nabij, kun je niet afbeelden, maar hij woont in verhalen. Door deze verhalen, die ook mijn verhaal kunnen worden (ik ben ook Jozef ) kom ik er mee in contact. Ik kan er dan “iets” van weten, maar ik heb het nooit helemaal. Ik moet er weliswaar steeds mee bezig zijn, anders ontglipt het me, maar het echt pakken en hebben gaat ook nooit.
Deze God openbaard zich, we worden door Hem gezocht, Hij wil contact met ons, drukt zich tenslotte zelfs uit in een mens en komt als een stalker op onze stoep zitten. Deze God laat mij niet alleen, ziet mij en kent mij. Misschien is dit zelf suggestie, dat zou best kunnen, maar voor mij werkt het.
Het geeft mij de kracht om door te leven, in een wereld die vol is van geweld en hopeloosheid, maar ook vol van mooie dingen. Een wereld waar ik van hou.
Bij deze God heb ik altijd een keuze, al is die soms door omstandigheden beperkt. Deze god wil dat wij zijn beelddrager zijn. Wat goed is en wat niet word hierdoor bepaald. Dat ik me niet onder andere machten dan deze God laat stellen.
Dat ik niet God ben, maar wel een beelddrager van deze God moet zijn.
Dat ik anderen niet de kans mag ontnemen dit ook te zijn. Hoe dit in de praktijk uitpakt is iedere keer weer anders. Alleen kan ik dit niet bepalen, ik heb daar als mens wel anderen voor nodig .De gemeente in de breedste zin van het woord. De uitkomst is altijd verassend. Steeds anders. Dit is waar ik voor wil kiezen, met lek en gebrek Zonder te weten wat het wordt.

cijfer 7. commentaar: te weinig dialoog met nihilisme en bewustzijnsgecentreerd kader
https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

Inleiding
De module “Bronnen van Zingeving” is een eerste kennismaking met het vak filosofie tijdens de opleiding GPW-dt. Inhoudelijk gaat het over “Zingevingskaders” en daarmee dus ook over de begrippen die deze term bepalen, namelijk; zin, zingeving en zingevingskader.
Zingevingskaders, dat zijn de “verhalen” van alle godsdiensten en levensbeschouwingen, die ons in staat stellen om te kunnen gaan met de bijzondere momenten in ons leven, of deze nu van vreugdevolle dan wel verdrietige aard zijn. Daarnaast geeft een zingevingskader ook een visie op het leven als totaalervaring en daarmee overstijgt het ons leven, dat begint met de ge-boorte en eindigt met ons heengaan. Mensen zonder een zingevingskader, meestal gebruiken we de woorden godsdienst of levensbeschouwing hiervoor, missen dat wat een mens helpt om elke gebeurtenis in ons leven een plek te kunnen geven. We verlenen iets zin, dacht ik kort-geleden.

Als een mens zonder enige vorm van zingeving door het leven gaat loopt hij een groter risico om bijvoorbeeld verslaafd te raken, gedesillusioneerd, suïcidaal te worden of zelfs krankzin-nig te worden. Dat is mijn mening. Ik wil daarmee zeggen dat het hebben van een zingevings-kader geen overbodige luxe is, eerder een noodzaak.

Begripsbepaling
Zin kennen we in twee betekenissen. We zien de ‘zin van’ iets in of niet. Of we gebruiken het woord in de woordcombinatie; ‘zin in’ iets hebben. In het eerste geval gaat het over doel of nut, in het tweede geval is het de vraag of we er plezier of genot aan kunnen beleven. Maar beiden zijn van wezenlijk belang in ons leven. Denk maar eens aan sport, gezond om te doen, dat weet iedereen, maar als je het niet leuk vind dan begin je er nooit aan. Als wij ergens de zin van inzien, dan heeft datgene zin. Het krijgt zin hierdoor of zoals we dat ook wel noemen, we hebben er zin aan gegeven, dan noemen we deze activiteit Zin-geving. Als deze zingeving een geheel is dat op vele of alle levensvragen antwoord geeft noemen we dat geheel een Zingevings-kader.

Het maakt ons gelukkiger als we weten dat iets zin heeft of als we ervaren dat we iets doen wat ons een fijn gevoel geeft. In het eerste geval geeft het zin (germanisme) als we weten dat een handeling die we willen verrichten een door ons gesteld doel gaat helpen verwerkelijken. In het andere geval gaat het erom dat we kunnen genieten van wat is of van wat we aan het doen zijn. De eerste zingeving heeft te maken met het idee dat we een handeling in een wijde-re context plaatsen. Een daad dient een hoger doel, bijvoorbeeld, ik verricht een goede daad om in de hemel te komen. Dit laatste noemen we context-overschrijding. Het is een slecht voorbeeld, maar het maakt wel enigszins duidelijk waar het om gaat. Dit is uiteraard een sim-plificatie van wat een zingevingskader behelst, want een zingevingskader omvat veel meer. De soorten van zingevingskaders die door de geschiedenis heen zijn gevormd zijn ruwweg in te delen in vier typen, namelijk:

– I. de theocentrische of theïstische zingevingskaders (deze zijn zogezegd ‘godsgecentreerd’)
– II. de nihilistische zingevingskaders (deze zijn gecentreerd rondom het ‘zin-loze’ leven)
– III. de bewustzijnsgecentreerde zingevingskaders (centraal: bepaalde bewustzijnstoestand)
– IV. de seculiere zingevingskaders (hier staat het aardse leven centraal)

I. Van het eerste type, de theocentrische zingevingskaders, zijn de drie monotheïstische godsdiensten een goed voorbeeld. Dat zijn het Jodendom, het Christendom en de Islam. De centrale factor in deze zingevingskaders is God. Ook al spreekt de Islam van Allah, ze bedoelen hiermee dezelfde God. Hij is degene die gediend wordt door een “goed” leven te leiden en tegelijkertijd dienen mensen dan ook elkaar. Want dat is waar de religieuze geboden of plichten ook mee te maken hebben, het helpen van elkaar. Zo realiseren we dan het bepaalde doel van ons leven. O. a. in het Oude Testament, het Nieuwe Testament en de Koran wordt ons verteld hoe te leven. Daarnaast zijn er de geestelijken die ons de zaken uit kunnen leggen die we zelf niet kunnen begrijpen. Vroeger, en nu soms nog steeds wel, sprak de kerk ook recht in conflicten tussen mensen of als gelovigen de regels die hun geloof hen voorhield overtraden. Deze godsdiensten bieden hun volgelingen de ‘troost’ van een leven na de dood in de hemel als ze een goed leven hebben geleid. Daar tegenover staat dan wel de straf in de hel als ze géén goed leven hebben geleefd. Zo hebben de gelovigen een duidelijk houvast aan hun zingevingskader om een zo goed mogelijk leven te leiden, want ieder mens maakt natuurlijk fouten onderweg naar de voltooiing van zijn of haar leven.

II. Bij de nihilistische zingevingskaders staat centraal dat geen zin heeft. Het nihilisme wordt vooral gezien als een reactie op de theocentrische zingevingskaders die het tot dan toe lange tijd voor het zeggen hadden, in het bijzonder in het Westen. Het spreekt de claims op zingeving van bijvoorbeeld het Christendom tegen wat betreft het zin verlenen aan door de mensen een leven na de dood in de hemel te beloven. Daar-van afgeleid komt men dan tot de conclusie dat de doelen die men in het leven stellen kan ook geen zin meer hebben zonder dat uiteindelijke doel, wat er dus niet is, aldus nihilisten. Verder vind ik de gedachte dat handelingen geen zin hebben wel enigszins te billijken, want wie twij-felt er niet wel eens of het zin heeft wat hij aan het doen is. Deze visie wordt ook wel gezien als een tussenfase in de geschiedenis van de zingevingskaders. Tussen de aan waarde en aan-hang inboetende theocentrische zingevingskaders en de opkomst van de seculiere zingevings-kaders speelde deze visie een belangrijke rol. Het ontstond in een periode van grote weten-schappelijke vooruitgang toen allerlei oude zekerheden ineens niet langer meer als een zeker-heid beschouwd konden worden. Voorbeelden hiervan zijn onder andere het nihilisme en het existentialisme. Volgens dit type zingevingskader heeft het leven geen zin en elke manier van zingeving is een illusie of zelfbedrog. Daarom denk ik dat dit een kader van zingeving is wat niet zoveel aanhangers kent, denkende aan Nietzsche die zegt in Boek 3 Hoofdstuk I [110] op pagina 430: Teken van de maximale negatie. ‘Niets is waar, alles is toegestaan.’ Denkende aan een man die hij inspireerde, Hitler, lijkt me dit niet helemaal de weg om te volgen

III. De bewustzijnsgecentreerde zingevingskaders betreffen vooral het hindoeïsme, boeddhisme en taoïsme. Mensen die deze “geloven” aanhangen streven naar het verkrijgen van een bepaalde bewustzijnstoestand waardoor geopenbaard wordt wat de waarheid betref-fende en de zin van het leven zijn. De weg die tot deze bewustzijnsverandering of – toestand leidt is meditatie (contemplatie en concentratie) en ook wel yoga. Daarnaast kennen zij na-tuurlijk ook hun eigen geschriften. Dat zijn de sutra’s (boeddhisme) en de veda’s (hindoe-ïsme). Verder zou ik als bijzondere vorm van het boeddhisme willen noemen het zen-boeddhisme. Deze visie heeft een grote aanhang in het Westen gevonden de afgelopen decennia. Afgeleiden hiervan zijn de, ook al erg bekend geworden, mindfulness en de filosofie van Eckart Tolle. Voor mij persoonlijk vond ik de te lezen tekst van hem daarom ook erg interessant en verhelderend. Deze zingevingskaders worden gekenmerkt door het streven naar, naast “verlichting”, het leiden van een bewust leven volgens bepaalde regels en waarden. Zoals deze bijvoorbeeld in het boeddhisme zijn vervat in “het achtvoudige pad”, te weten:

– 1. De juiste inzichten (in overeenstemming met de vier waarheden van de Boeddha)
– 2. De juiste bedoelingen (geen bezitsdrang, wreedheid of boosheid)
– 3. Het juiste spreken (geen leugens, roddels, laster of ruwe taal)
– 4. Het juiste handelen (geen geweld tegen mensen en dieren, niet stelen, niet genieten ten koste van anderen)
– 5. De juiste levenswijze (een eerlijk en heilzaam beroep)
– 6. De juiste inspanning (inzet om het heilzame te bevorderen)
– 7. De juiste aandacht (alert zijn voor het hier en nu)
– 8. De juiste concentratie (op het hier en nu, of op een heilzaam object)

Van de hierboven genoemde twee zingevingskaders tellen vooral bij het hindoeïsme de beginselen van karma en reïncarnatie duidelijk mee. Alle daden van de mens zijn te beoordelen naar de normen van het karma, wat meer is als alleen noodlot of lot, het gaat om een beoor-deling betreffende de verhouding tussen goed en kwaad. Als je veel slecht karma opbouwt moet je nog een volgend leven leiden om dit weer uit te wissen door voldoende goed karma. En dit is dan waar de Boeddha een oplossing voor biedt, om uit dit rad van wedergeboorten te kunnen ontsnappen, door verlicht te raken.

IV. De seculiere zingevingskaders gaan ervan uit dat wij, om het leven zin te verlenen, vol-doende hebben aan het aardse leven zelf. Zonder dat er een leven na dit leven komt, zoals dat bij twee voornoemde kaders geldt met het hiernamaals (christendom/islam) of de reïncarnatie bij het hindoeïsme. Aan ons aardse leven wordt dan wel de voorwaarde gesteld dat dit leven “goed” geleefd wordt. Erg belangrijk in het humanisme, socialisme en bij de levenskunst zijn zelfontplooiing en het leveren van een bijdrage aan – de verbetering van – de maatschappij. Degenen die dit zingevingskader aanhangen zijn daarom ook erg actief geweest op het vlak van de emancipatie van “achtergestelde” groepen in de samenleving. Voorbeelden hiervan zijn o.a. arbeiders, vrouwen, homoseksuelen, allochtonen, kinderen, enzovoorts. Zij verschil-len qua standpunten over bijvoorbeeld abortus en euthanasie duidelijk van de zingevingkaders van het eerste en derde type. Aanhangers van dit type zingevingskader staan niet per sé afke-rig tegenover het geloof in een god of goden, maar vinden dit voor hun zingeving niet van doorslaggevend belang. Ergo, men vindt de motivatie voor zijn standpunten niet in het boven-natuurlijke of in een god, of in geschriften die aan een god worden toegedicht. Erg belangrijk voor humanisten of socialisten zijn de natuurwetenschappen, zij leveren belangrijke bewijsbronnen voor hun waarheidsclaims.

Tot slot nog iets over de waarde van elk zingevingskader. Elk zingevingskader wordt door zijn aanhangers beoordeeld op zijn merites, dat wil zeggen zijn praktische bruikbaarheid (pragmatisme) en acceptatie door de culturele omgeving van de aanhanger. Als het zou leiden tot uitstoting, dan heb je natuurlijk wel veel moed nodig om er aanhanger van te zijn en te blijven. Maar als mensen hier toch hun zin van het leven aan ontlenen dan worden zij voorbe-reiders van een nieuwe levensvisie. Dit is ook een doel van het zin geven; het vernieuwen of aanpassen van je visie aan de tijd waar we in leven. De waarheid, dat is het geheel van leerstellingen van elk systeem of zingevingskader. Zij, de aanhangers ervan, gaan er van uit dat deze allemaal waar zijn.

Eigen zingevingskader

“Onderzoek alles, behoud het goede”

Citaat uit De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), 2004, 1 Thessalonicenzen 5:21, brief van Paulus, N.T. Dit is een motto dat mij jarenlang heeft geleid. Ik heb ook veel onderzocht, het één meer als het ander uiteraard. Geboren als Rooms Katholiek kwam ik rond mijn twintigste in aanraking met zen-meditatie en vervolgens met de antroposofie. Ik beoefende judo, tai chi en karate (martial arts). Ik drumde, zong, deed aan toneel en volgde meerdere groeigroepen en therapieën, het laatste als psychiatrisch patiënt wel te verstaan. Vele zaken hebben mij beïn-vloed. Het voorgaande is maar een klein gedeelte van datgene dat mijn leven veranderde. Recentelijk waren dat bijvoorbeeld mijn ontmoetingen met vrijmetselaars.

Mijn natuurlijke aardse leven, zoals vermeld in de collegestof (1) is voor mij de basis van mijn leven, maar mijn leven behelst meer dan louter en alleen mijn fysieke bestaan. In mijn optiek heb ik ook een spiritueel leven en dat is bij mij waar het uiteindelijk om gaat. In mijn geval houdt dat in dat ik geloof dat niet het enige leven is dat ik leiden zal of dat ik heb geleid. Dit is voor mij weliswaar geen absolute zekerheid, maar het geeft mij hoop en het perspectief van een voortzetting van mijn geestelijke groeiproces na het huidige leven. Ik leef in mijn praktische leven, zoals Eckart Tolle dit noemt in (2), niet vanuit deze gedachte maar zoek, net zoals iedereen, de zin van het leven in alles wat voorbij komt. En dat was in 1988, na het lezen in een boek van Jane Roberts, het eerste ankertje van Judy Laddon. Dit heeft mijn denken over het leven beïnvloed. Het bevestigde voor mij de boodschap van liefde in de Bijbel. Deze inspiratiebron is, net als bij de Bijbelse profeten, tot stand gekomen door het opschrijven van wat een (innerlijke) stem vertelde. Dit gebeurde ongeveer dertig jaar geleden. Dat is de reden waarom de taal van deze tijd is, net als de onderwerpen die besproken worden. Net als met de Bijbel gebruik ik een vertaling, in mijn geval is dat die van het Engels naar het Nederlands. Een zinsnede uit het eerste boekje is;” … je schept je eigen leven van ogenblik tot ogenblik”. Ik geloof wel in een goddelijke – of geestelijke wereld (God), maar niet in de hel of dat God gevreesd moet worden. is voor mij geen loze kreet. Echter, de mensen die prediken dat God ons, omdat die liefde niet merkbaar zou zijn in ons leven, in de steek gelaten heeft, hebben in mijn ogen ongelijk. Zoals ik al citeerde, we zijn verantwoordelijk voor ons eigen leven, en als we hulp nodig hebben dan kan die vanuit de geestelijke wereld verkregen worden door hierom te vragen. Daarnaast is het ook zo dat God van ons vraagt om elkaar lief te hebben en om ons leven en ons bezit (het hebben), zoals Fromm dat in (3) aangeeft, met elkaar te delen. Zo kun-nen we komen tot een waarachtiger mens-zijn. Mijn zingevingskader zou je eclectisch kunnen noemen, maar dat is het niet. Er wordt namelijk van uitgegaan dat alle religies inhoudelijk deels uit waarheden en deels uit onwaarheden bestaan. “De waarheid” vind je dan door uit al-le religies de waarheden te selecteren. Ja, dan zou dus in mijn 6 boekjes eindelijk de waarheid te vinden zijn. Kijk dat zou natuurlijk prachtig zijn, maar alleen wie de waarheid “zien en horen” kan ontdekt deze. Dat klinkt raadselachtig maar is het niet. Deze wijsheid ontstaat uit ervaring, fouten maken en daarvan leren, door schade en schande wijs worden zogezegd. Daarom staat God het maken van fouten ook niet in de weg en is hij/zij barmhartig. Wel is het zo dat deze missers later worden tot een nieuw leer- en oefentraject in je latere – cq volgende leven. Dat is wat karma is in mijn visie. Zo geschied er dus ook gerechtigheid, want iemand die veel slechte dingen gedaan heeft moet lang werken om dit te “verwerken”. En omdat de dood niet het einde is van ons leven kunnen we alsmaar door blijven leren totdat we zelf, allemaal, uiteindelijk een deel van God worden. Het worden van een werkelijk groot mens heeft daarom ook niets te maken met afkomst, ras, rijkdom, kennis of dergelijke. Het heeft alleen te maken met wie je bent, hoe je met je medemensen (naasten) hebt leren omgaan, met andere levende wezens en met de aarde. Dat doet mij dan ook denken aan wat Tolstoi schrijft in (4). Hij noemt hier namelijk de mensen uit zijn eigen kringen, de rijken, hijzelf kwam uit een familie van hoge adel, zogenaamde gelovigen en pseudo-gelovigen. Hieruit blijkt dat hij de “gewone mensen” hoog heeft zitten.
Ik heb getracht enigszins te duiden hoe mijn zingevingskader te karakteriseren valt. Ik vond het erg interessant en ook indringend om kennis te nemen van de teksten, de collegestof en jouw uitleg daarvan. Het heeft mij geholpen genuanceerder te kijken naar met name de zinge-vingskaders en zingeving van mijn tijdgenoten.
De vraag die voor mij overblijft, is hoe aan te kijken tegen de zin van mijn studie voor mijn eigen levensopdracht. En dan vooral mijn faalangst tijdens de studie.

cijfer: geen [volgende periode]
https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

Wanneer een zingevingskader het raamwerk is van aannames over de wereld en het universum, de mens en zijn plek in die wereld en de morele regels die leidend zijn voor hoe het leven geleefd moet worden, dan zou de term ‘zingeving’ uitdrukking kunnen geven aan de betekenis die dit voor iemands leven heeft. Zingeving bestaat dus uit de levenswandel vanuit een bepaald wereldbeeld. Hierdoor kan je spreken van een zin van het leven, waarbij ‘zin’ kan worden opgevat als ‘betekenis’ of ‘doel’.

Zingevingskaders zijn te categoriseren in 4 overzichtelijke groepen. Het theïstische zingevingskader gaat uit van het bestaan van een god, de schepper van alles, die de mens regels heeft gegeven om naar te leven zodat er uiteindelijk verlossing of beloning zal volgen na dit aardse leven. Het bewustzijnsgecentreerde kader meent dat er verlichting is door een bepaalde bewustzijnstoestand te bereiken, waarin het ego niet meer bepalend is, maar waarin het bewustzijn op een transcendente manier één is met de omgeving. Ook belangrijk binnen dit kader is de perceptie van tijd, die cyclisch is tegenover het lineaire beeld van tijd bij de andere kaders. Het humanisme is van mening dat er niet gestreefd hoeft te worden naar verlossing of verlichting omdat het aardse leven voldoende te bieden heeft om als zinvol te kunnen ervaren. De mens moet ernaar streven om tot bloei te komen. Tenslotte is er nog het nihilisme, dat eigenlijk het ontbreken van een zingevingskader betekent, omdat de vooronderstellingen van de vorige kaders onjuist zijn. Als gevolg daarvan is het leven zinloos. Hier stelt het nihilisme een belangrijke kwestie aan de orde, want een zingevingskader heeft pas waarde wanneer het op waarheid berust. Waarheid is hier een volledig subjectief begrip, omdat de vooronderstellingen die de zingevingskaders gebruiken geen van allen te bewijzen zijn; alleen persoonlijke overtuiging maakt ze waar of onwaar. Probeer maar eens het bestaan van god te bewijzen of de eenheid van alles in de kosmos, dat zal niet lukken. Maar ook dat het aardse leven een doel heeft is niet te bewijzen, maar slechts te ervaren door het te geloven. Zonder dit geloof verliest een zingevingskader zijn zingeving of doel. Zo bezien heeft ieder mens een geloof, want iedere manier om tegen het bestaan te kijken berust op aannames die niet te bewijzen zijn. Religie, het theïstische zingevingskader, heeft geen monopolie op het geloof en dus geloven ook atheïsten vanuit hun humanistische of nihilistische zingevingskader.

wereldbeeld
De kosmos, de natuur, de aarde, het leven…in de onmetelijke veelheid van bestaan en in de onmetelijke ruimte van het heelal hebben we ons thuis op deze planeet; aarde. Allesbehalve een bijzondere plek; er zijn in het heelal veel spannender plekken te bedenken op drukke knooppunten waar sterrenstelsels samenklonteren en de dichtheid van bestaan vele malen groter lijkt. Wanneer ik op een heldere nacht omhoog kijk zie ik de sterren aan de hemel staan, maar pas wanneer ik me bedenk dat de wetenschap hier een enorme hoeveelheid aan cijfers en afstanden en grootheden aan heeft weten te plakken, dan realiseer ik me wat het is waar ik naar kijk; het onvoorstelbare. Het is geen zwart laken met gaatjes meer, waarachter een goddelijk licht schijnt, maar bestudeerbaar en tegelijkertijd onmeetbaar en oneindig. De ultieme vraag waar het allemaal vandaan komt blijft onbeantwoord, evenals waar het toe leidt.

In zekere zin is het nog maar de vraag of het er allemaal wel echt is; wie weet zeker dat wij niet allen aan een massahypnose lijden en dat het niet allemaal een illusie is? Is ons bewustzijn misschien een onderdeel van een computersimulatie en is onze ware identiteit van kunstmatige oorsprong en in handen van een andere soort, die op hun beurt weer geschapen zijn door weer een ander? Het zijn absurde werkelijkheidsaanspraken, maar niet minder plausibel dan welke andere dan ook. God is net zo’n absurd menselijk bedacht concept als het concept van de massahypnose. De werkelijkheid laat zich het meest overtuigend beschrijven door de wetenschap. Daarmee diskwalificeer ik niet de uitspraken over god of de computersimulatie; integendeel, want op momenten van grote innerlijke helderheid komt de werkelijkheid inderdaad op mij over als een ongrijpbare illusie. Niettemin heeft die illusie kenmerken en eigenschappen en universele wetmatigheden zodat we ondanks deze onzekerheden toch geldige uitspraken kunnen doen over datgene dat we werkelijkheid noemen, daardoor is een gemeenschappelijk model ontstaan over de werkelijkheid en het is nu niet van belang of dit nu ook echt de werkelijkheid is of een illusie. Het is belangrijk om de mogelijkheid van de illusie te benoemen en open te laten, omdat ik in mijn wereldbeeld de algemeen aanvaarde werkelijkheid uiteraard erken, maar dat er een andere werkelijkheid achter kan schuilen is voor mij enerzijds de bron van ontwrichtende gedachten en twijfel en anderzijds de bron van een luchtig relativisme.

mensbeeld
We zijn opgebouwd uit materiaal dat voorhanden is en op veel plekken aan te treffen; net als alles, maar dan ook echt alles om ons heen…sterrenstof. Stenen, bacteriën, schimmels, planten en dieren. Allemaal is het ontleedbaar zonder restproduct. Bewustzijn, ziel, geest en al dat soort termen hebben grote taalkundige en psychologische betekenis, maar ze bestaan in werkelijkheid alleen tussen de regels en niet als materie. De mens is niets meer dan één van vele soorten organismen op aarde. We zijn inmiddels met velen en lijken de succesvolste soort te zijn, maar dit is maar relatief. Wanneer je bijvoorbeeld de biomassa vergelijkt tussen mieren en mensen dan zou de weegschaal uitslaan in het voordeel van de mieren…met een factor van 4! Ook zij maken gebruik van complexe maatschappelijke structuren, voeren oorlog en houden vee [bladluis] en hebben interessante manieren om gezamenlijk besluiten te nemen en samen te werken. Ik ben altijd al gefascineerd geweest door mieren, maar dat terzijde. Ik noem het als een voorbeeld om de menselijke rol op aarde te relativeren; we zijn niet belangrijker of beter dan dieren; we ZIJN dieren.

Anders dan andere dieren zijn we wel; geen bloeddorstige jagers met onverslaanbare snelheid, geen ondoordringbaar pantser of ingebouwde sonar, maar door een verder ontwikkeld brein en fijnere motoriek dan onze evolutionaire voorouders zijn we in staat tot al die zaken tegelijk. We zijn in staat om ons leven zo in te richten dat het niet langer nodig is om alle energie te gebruiken voor het onmiddellijke overleven. Er is ruimte gekomen voor cultuur en wetenschappelijke kennis en dit zorgt voor een ongekend snelle veranderingen van de omstandigheden waarin we leven en dat maakt ons tot ons eigen experiment.

ethiek
We zijn bereid om dierlijke vrijheid op te geven om deel uit te maken van een samenleving omdat het ons in staat stelt om meer te zijn dan dieren die alleen aan overleven kunnen denken. Cultuur en wetenschap zijn een middel om dierlijke driften te ontstijgen en daarmee stappen we misschien niet uit het Darwinmodel, maar hebben zo toch zeker een bewustere en actievere rol in onze verdere ontwikkeling. De aantrekkingskracht van cultuur en wetenschap is enorm en maakt dat we daar deel van willen uitmaken en daarbinnen geldt voor ieder mens dezelfde opdracht: tot bloei komen; ieder op zijn eigen en strikt individuele wijze. Dat is een bewuste zoektocht en vooral een cultuurverschijnsel in tegenstelling tot instincten. De Oostenrijkse psychiater Frankl zegt hierover: “Man’s search for meaning is the primary motivation in his life and not a ‘secondary rationalization’ of instinctual drives. This meaning is unique and specific in that it must and can be fulfilled by him alone; only then does it archieve a significance which will satisfy his own will to meaning” [Victor Frankl, Man’s search for meaning, blz. 121]. Zijn collega Fromm betrekt daarbij de wisselwerking tussen individu en samenleving alsvolgt: “Mensen hebben de behoefte met andere mensen en met de natuur in relatie te staan en zichzelf in deze betrokkenheid bevestigd te zien.” [Erich Fromm, de revolutie van de hoop, blz. 72]. Deze twee uitspraken vullen elkaar aan en geven de opdracht van Frankl een richting, namelijk dat mensen erop gericht zijn hun betrokkenheid met elkaar te tonen door een manier te zoeken om een bijdrage te leveren aan het versterken van al die verbanden. Hierin zie ik ook mijn eigen taak in het leven; een bijdrage leveren aan de samenleving uit dankbaarheid voor wat de samenleving mij biedt en ook om bewust betekenis te geven aan mijn bestaan.

zingevingskader
Ondanks deze taak in het leven, heb ik toch moeite om mijzelf definitief in te delen bij een zingevingskader. Het ligt voor de hand dat ik mij thuis zou voelen in de humanistische traditie, waartoe ook de zojuist geciteerde Frankl en Fromm behoren en inderdaad is het zo dat ik veel verwantschap voel met deze stroming. Toch kom ik niet onder de juistheid van dat andere kader uit, want het nihilisme -en in zekere zin ook het bewustzijnsgecentreerde zingevingskader- heeft gelijk wanneer het uitgaat van de stelling dat uiteindelijk alles van voorbijgaande aard is. Het leven op aarde zal ooit eindigen, al was het maar omdat met zekerheid gezegd kan worden dat de zon een beperkte levensduur heeft. Daarnaast ben ik ook overtuigd van het nihilistische standpunt dat niets van zichzelf betekenis of waarde heeft, maar dat dat eraan gegeven wordt door een mening, zoals het verschil tussen een bloem en onkruid ook maar een oordeel is. In zoverre durf ik mijzelf een nihilist te noemen; mijn leven is zinloos en leidt uiteindelijk tot niets!

Zinloosheid is echter niet hetzelfde als betekenisloosheid. Ik kan namelijk accepteren dat het leven zinloos is, en dat doe ik ook, maar evengoed dit leven betekenis proberen te geven door mijzelf deze eerdergenoemde taak te geven. Dit maakt het nihilisme leefbaar, want ondanks zinloosheid, heb ik wel zin IN het leven; het is niet vreugdeloos, integendeel! Ik probeer mijn leven actief vorm te geven zoals mij goeddunkt en accepteer de gevolgen. Mijn nihilisme is daarmee van het stoïcijnse soort. Een andere tegenwerping is dat het nihilisme stellingname neemt in het licht van de eeuwigheid en zeer lange termijn, maar wanneer je je bedenkt hoe onze soort in de afgelopen honderdduizend jaar [een oogwenk tegen de achtergrond van de geschiedenis van miljarden jaren] is gegroeid in kennis en vaardigheden, dan is er misschien toch een andere uitkomst mogelijk dan een onvermijdelijk uitsterven. Hoewel we dan misschien geen mensen meer zijn, maar een stap verder op de evolutieladder kan dit een richtinggevende gedachte zijn. Het humanisme daarentegen heeft een doel in zich: het worden van het individu, van de samenleving en wellicht zelfs het worden der mensheid. Ik voel me geroepen door dit doel en wil hieraan van harte meewerken, omdat ik geloof in dit doel…omdat er misschien, heel misschien, toch een uitweg mogelijk is uit het noodlot dat het nihilisme ons voorspiegelt. En ook al is de kans klein dat wij over achtduizend jaar andere sterrenstelsels bevolken; het doel geeft betekenis aan onze levens nu in het heden. Mijn leven is zinloos en leidt uiteindelijk tot niets…maar er zijn andere doelen te bereiken dan alleen voor mijn leven. Nietzsche zelf creëert ook een grijs gebied tussen het nihilisme en humanisme en zegt hierover zelf: “Onbescheidenheid van de mens-: om waar hij de zin niet ziet, deze te loochenen!” [Nietzsche, boek 3, de zelfoverwinning van het nihilisme, blz. 433].
Wanneer ik mijzelf spiegel aan de andere twee kaders; de theïstische en het bewustzijnsgeorienteerde dan herken ik mijzelf niet. Hoewel ik vaak jaloers ben op mensen die wel in god geloven, omdat het hen zoveel rust en hoop lijkt te bieden, lukt het mij niet om het te kunnen aanvaarden. De psychologie heeft verklaringen gegeven over de menselijke behoefte aan verklaringen voor zaken die het verstand te boven gaan, die ik zeer overtuigend vind en daardoor ben ik van mening dat niet god de mensen, maar dat juist de mensen god gemaakt hebben. Godsdiensten doen bovendien een beroep op de erkenning van god vanuit het individu zelf, dus wanneer die erkenning ontbreekt, mist hiervoor de benodigde vooronderstelling.
Het bewustzijnsgecentreerde kader overtuigt mij van groot inzicht in de aard der dingen en het wezen van de tijd, maar als zingevingskader is het mij te regressief. De verlichting die in het vooruitzicht wordt gesteld door één te zijn met de omgeving is misschien haalbaar, maar alleen wanneer je afscheid neemt van cultuur en wetenschap. Dit zijn namelijk zaken die je afhouden van het enige dat er in het leven toe doet: het nu, dat alle aandacht en alertheid opeist en waarmee je in ultieme vorm terugkeert naar een intuïtieve, instinctieve vorm. Het is een schitterende manier om tot jezelf te komen en je te concentreren, maar dan slechts als hulpmiddel binnen een ander zingevingskader, omdat er zonder verlangen te weinig gestreefd wordt. Het staat in tegenstelling met de weg die we als mens zijn ingeslagen; de ontwikkeling tot een collectief. Een fragment van een tekst van de grondlegger van het taoïsme, Lao Tse:

Bedenkt daarom: wie volhoudt te streven naar begeerteloosheid
vermag zich te richten op de duurzame aanschouwing der goddelijke geheimen.
Wie echter zijn begeerten niet los kan laten blijft gebonden aan zijn grenzen.

Ik kan door deze tekst slechts raden naar de geheimen die geopenbaard zouden kunnen worden, maar tegelijkertijd kan ik ook slechts raden naar de grenzen van ons kunnen, terwijl die laatsten te ontdekken zijn door verder te gaan op het ingeslagen pad van cultuur en wetenschap. Pas wanneer we die grenzen bereiken, zijn we het waard om goddelijke geheimen te aanschouwen.

twijfels
Eerder heb ik de mogelijkheid genoemd dat de werkelijkheid een illusie kan zijn als bron voor existentialistische twijfel [en tegelijkertijd voor luchtig relativisme]. Eerlijk gezegd laat ik me graag met die ideeën verwarren, ter verstrooiing. Hoe verstrekkend de gevolgen ervan ook zouden zijn, het doet niets af van de manier waarop we gemeenschappelijk de ons omringende werkelijkheid ervaren en meten. Het lijkt wel of ik op die momenten ergens in mijn hersenen gekieteld wordt, waar ik normaal gesproken nooit iets voel en dat is ronduit ‘lekker’, wat op zijn beurt weer een prikkeltje in mijn beloningscentrum in de hersenen teweeg brengt. Zijn het daarmee twijfels? Het waren jaren geleden twijfels, zonder meer. Inmiddels heb ik geleerd al die absurde mogelijkheden open te laten en op een pragmatische manier tegen de werkelijkheid aan te kijken. Twijfels worden daarmee luchtig gerelativeerd en omarmd. Mijn leven is te kort, of mijn verstand te beperkt of mijn interesse teveel op andere gebieden gericht om me te verdiepen in die alternatieve mogelijkheden. Het is beter dat over te laten aan theoretici; zij kunnen daar beter over nadenken, onder elkaar en vervolgens hun bevindingen met het grote publiek delen. Ik zelf weet niet hoe de werkelijkheid in elkaar steekt en heb daar vrede mee. Ondanks dat heb ik zin in het leven en wil ik er betekenis aan geven in verbintenis met anderen. Andere twijfels zijn ernstiger; ik heb weinig vertrouwen in het grootste deel van de mensheid. Ik ben pessimistisch over de meerderheid, omdat er zoveel desinteresse lijkt te zijn bij mensen om de wereld ten goede te veranderen en er samen de schouders onder te zetten. De belevingswereld reikt vaak niet verder dan dat van de groep waarmee men zich identificeert en zo is het ideaal van de mensheid als gezamenlijk collectief nog wel erg ver verwijderd. Pas wanneer we succesvol een beroep kunnen doen op interesse van mensen is er kans dit te veranderen: “Wezenlijke interesse is een alles doordringende houding, een vorm van betrokken-zijn bij de wereld, van verbondenheid bij al wat leeft en groeit” [Erich Fromm, de revolutie van de hoop, pag. 84]

opbrengst
Deze opdracht liet me helaas geen ruimte meer om te reageren op de teksten rond het theïstische zingevingskader. Ondanks dat ik -zoals gezegd- niet in een god geloof, heb ik toch erg genoten van de tekst van Lev Tolstoj, vanwege de eerlijkheid en ongekende helderheid van zijn betoog en natuurlijk omdat het stilistisch zo knap geschreven is. Ook de tekst van Caputo heeft me mooie dingen gezegd over een vrijzinnig te beleven geloof, waarin zelfs een plaats is voor mij -als ongelovige- om het te belijden: “De vraag van Augustinus -wie is het die liefheeft en wat is het dat hij liefheeft- blijft klinken, ook nadat hij denkt ermee klaar te zijn. Ofwel, ik zou zijn vraag graag open laten en als vraag de vrije teugel willen geven, om hem dan de plaats te geven van een cruciaal en blijvend onderdeel van onze levenspassie…” [John Caputo, religie, blz.29.] Deze teksten waren voor mij nieuw en heb ik als een vanzelfsprekendheid ervaren, maar leken in hun aard bijna meer binnen respectievelijk het nihilisme en het humanisme thuis te horen dan in een godsdienstig kader.

De meeste stof die we dit semester hebben behandeld was me bekend en ook mijn zingevingskader is al enige tijd ongewijzigd. Toch heeft deze opdracht me voor het eerst op een systematische manier laten nadenken over zaken die voorheen gefragmenteerd door mijn hoofd schoten. Dat zingevingskaders zo overzichtelijk in te delen waren had ik niet verwacht; ik dacht dat er evenveel zingevingskaders waren als dat er mensen zijn. Het is geruststellend dat ook mijn eigen kader binnen deze kaders valt, ook al bevindt het zich in een grijs gebied tussen humanisme en nihilisme.

Mooi werkstuk vooral je eindopdracht, mooi geschreven, heldere eigen visie, dialoog met andere
teksten. Verwerkingsvragen af en toe wat te beknopt, waardoor diepgang ontbreekt.
Cijfer: 7,7

https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

Reflectie

Deze bestaat uit een onderdeel Begripsbepaling en uit het beschrijven van mijn eigen
zingevingskader.

Begripsbepaling
De titel van dit vak is: Bronnen van zingeving: zingevingskaders. Hierin herken ik drie
centrale begrippen, namelijk zin, zingeving en zingevingskader. Ik licht deze begrippen
hieronder toe.

Wat is zin?
Wat betekent nu zin, wat kan daaronder worden verstaan. Ik maak hiervoor gebruik
van Ziegelaar (2012, pagina 7). Hij onderscheidt twee betekenissen van dit woord’. Ten
eerste zin in de betekenis ‘de zin van’. In deze betekenis kan zin vertaald worden als
nut of doel. De tweede betekenis die kan worden gegeven aan zin, is zin als ‘zin in’. Dit
betekent zoiets als verlangen hebben iets te doen.

Ieder mens op aarde is hier om hetzelfde te doen, namelijk leven. Dit is de context, het
referentiekader voor iedere mens. Als ik deze beide betekenissen van zin nu hieraan
koppel, dan treden er twee mogelijkheden naar voren : de zin (nut, doel) van het leven
en zin in het leven (dit verlangen te/willen doen).

Zin in de betekenis van zin van het leven roept de vraag op wat dan de betekenis van
de dood is. Maakt dit het leven niet zinloos? Want als we sterven, zijn we er niet meer.
Waarom hebben we dan geleefd? Wat was dan de zin van ons leven? Ziegelaar (2012,
pagina 14) zegt hierover: “Juist de positieve zin die we in het leven ervaren, maakt de
dood tot iets onaanvaardbaars omdat het die zin teniet lijkt te doen. Religie kan men
onder andere zien als een reactie op deze situatie.” Dit omdat religie het leven een
referentiekader, een context geeft over de grens van het aardse leven in. Het leven
houdt met andere woorden als het ware niet op als de mens sterft. Het idee is dat de
mens in een andere gedaante na zijn dood blijft door leven. Dit kan bijvoorbeeld zijn
in een hiernamaals bij een God of in een cyclus van wedergeboorte. Ziegelaar (2012)
noemt dit het model van contextoverschrijding.

Zin in de betekenis van zin in het leven zoekt de zin niet door middel van deze
contextoverschrijding. Deze betekenis gaat er vanuit we niet altijd dingen doen die een
doel hebben of nuttig zijn. We kunnen ook dingen doen die we graag willen doen, die
we verlangen te doen. Denk aan een boek lezen, een reis maken of voetballen. Als we
deze doen geeft dat ons direct voldoening en daardoor dus zin. In plaats van bezig te
zijn met het doel van het leven zijn we dan bezig met het aardse leven zelf en hebben we
geen context over de grens hiervan nodig om zin te ervaren. We kunnen dit bij wijze van
spreken ervaren in alle dagelijkse dingen die we doen. Het doen geeft zin.

Met Ziegelaar (2012) ben ik van mening dat in ieder mensenleven beide betekenissen
van het leven een rol spelen. Wel denk ik dat het onderscheid gebruikt kan worden
om te specificeren waar iemand in zijn leven nu precies zin aan ontleend, wat hem de
meeste “zin geeft.

Wat is zingeving?
Tot zover het begrip zin. Een tweede centrale begrip uit de titel van dit vak is het begrip
zingeving. Zin heeft zoals hiervoor aangegeven twee betekenissen en is heel persoonlijk.
Niet voor elk persoon zal het doel, het nut van het leven hetzelfde zijn en tevens zal niet
elk persoon dezelfde dingen leuk vinden om te doen. Met andere woorden zin is niet iets
absoluut en zal dus moet worden toegekend aan het leven of aan een activiteit. Tevens
volgt hieruit dat deze zingeving persoonlijk bepaald is. Maar hoe geeft een mens nu zin?

Als je hierbij rekening houdt met de twee verschillende betekenissen van dit begrip, zijn
er volgens Ziegelaar (2012, pagina 21) twee problemen. Ten eerste is het leven eindig en
daarom zijn ook alle doelen die we ons stellen eindig en relatief. Ten tweede kunnen we
geen zin in het leven hebben of niet in de gelegenheid verkeren om dingen te doen waar
we zin in hebben. We kunnen dan dus geen zin toekennen en worden zoekend daar
naar. De mens wil namelijk zin toekennen. “De mens is immers zoals de oude Grieken
hem definieerden: het rationele of denkende dier. Zijn zingevingproblematiek is niet
alleen een gevoelskwestie, maar wordt tevens een zaak voor het denken” (Ziegelaar,
2012, pagina 22).

Wat zijn zingevingskaders?
In deze zoektocht maakt de mens gebruik van zingevingskaders, het laatste centrale
begrip uit de titel van dit vak. Een zingevingskader is een bestaand systeem van
zingeving. Een manier waarop zin kan worden verleend, die is omschreven, is
vastgelegd in bijvoorbeeld geschriften, literatuur en filosofie. Ook zijn er praktijken en
rituelen die belangrijke gebeurtenissen in het mensenleven (denk bijvoorbeeld aan
geboorte en dood) inbedden in een kader. Deze praktijken en rituelen geven hierdoor
zin aan deze gebeurtenissen. De mens die op zoek is naar zin kan hier gebruik van
maken in zijn zoektocht. Een zingevingskader bestaat volgens Ziegelaar (2012, pagina
22-23) uit minimaal drie elementen:
a. Een opvatting of theorie over de uiteindelijke aard en doel van de werkelijkheid
als geheel. Dit wordt ook wel metafysica genoemd;
b. Een visie over de plaats van de mens in deze werkelijkheid en over de aard
van de mens. Dit wordt ook wel antropologie genoemd. Hieronder valt ook een
opvatting over wat de hoogste bestemming van de mens is en wat de zin van het
leven is;
c. Richtlijnen over hoe de mens zijn hoogste bestemming kan bereiken. Dit wordt
een ethiek, deugdleer of wenselijke levenspraktijk genoemd.
Een zingevingskader geeft dus een wijze waarop we de werkelijkheid, onze plaats
daarin en ons doel kunnen begrijpen en beschrijven. Voor de navolgers van het kader
beschrijft het wat zinvol is en met behulp van dat kader kan de navolger daarvan zin
gaan toekennen, zin gaan geven.

Welke zingevingskaders kunnen onderscheiden worden? Ik maak hiervoor gebruik van
de indeling die Ziegelaar (2012, september en oktober) hanteert:
a. Theocentrisch kader: Dit kader gaat er vanuit dat God de scheppers is van de
kosmos en van alles daarbinnen. Dus ook van de mens. De mens is sterfelijk,
maar zijn ziel kan na zijn dood voortleven. De mens ziet het als zijn hoogste
bestemming om in de nabijheid van God te zijn. Dit kan hij pas bereiken na zijn
dood, als onsterfelijke ziel. Hiertoe moet hij geloven in God. Hiervoor heeft God
hem richtlijnen gegeven;
b. Het Nihilisme: Historisch gezien is dit ontstaan na het Theocentrische kader.
Eigenlijk is het geen zingevingskader, maar beschrijft het de zoektocht die
ontstaat als het Theocratische kader als zinloos wordt ervaren. Het is dus een
(tijdelijk) ontbreken van een zingevingskader;
c. Het Bewustzijnsgecentreerde kader: De doel van het leven is het bereiken
van een bepaalde bijzondere toestand van ervaring of bewustzijn. Er kunnen
meerdere levens nodig zijn om deze toestand te bereiken;
d. Het seculiere kader: De oorsprong van het leven is ontstaan op de wijze
zoals beschreven in de natuurwetenschap. De mens maakt onderdeel uit
van de natuur en heeft via de evolutie bijzondere, menselijke eigenschappen
verworven. Het aardse leven is voldoende voor het ervaren van zin. Hiertoe
moet dit leven door de mens wel goed en rechtvaardig worden geleefd. Dit
betekent dat hij zijn talenten moet inzetten om iets te bereiken voor zichzelf en
voor anderen.

De waarheid van zingevingskaders
Er bestaan dus meerdere zingevingskaders. Dit zijn in feite alle manieren om de
werkelijkheid, de plaats van de mens daarin en het doel van de mens te begrijpen en
te beschrijven. Elk kader voor zich beschrijft dus haar waarheid. Er zijn dus meerdere
waarheden. Hoe hier mee om te gaan? Welke is nou de ware? In dit kader kan een
persoon volgens Ziegelaar (2012, pagina 30-32) drie mogelijke posities innemen:
a. Exclusivisme: Er is maar één waarheid, één zingevingskader mogelijk;
b. Inclusivisme: Er is weliswaar maar één waarheid, één zingevingskader mogelijk,
maar ook de aanhangers van een andere zingevingskader kunnen de hoogste
bestemming van het “ware” kader bereiken als zij zich houden aan de door
het “ware” kader voorgeschreven levenswandel (deugdleer);
c. Pluralisme: Er zijn verschillende manieren waarop een mens zijn hoogste
bestemming kan bereiken. De mens kan niet oordelen welke daarvan de juiste
is. Zoals uit mijn zingevingskader nog zal blijken, kan ik mij vinden in deze derde
positie.

Naast het bestaan van meerdere zingevingskaders naast elkaar, kunnen nog de volgende
problemen met betrekking tot hun waarheid worden onderscheiden:
• Hoe verhouden zij zich tot de wetenschap? Wat nu als de wetenschap claims van
een zingevingskader onderuit haalt? Heeft het zingevingskader dan afgedaan of
wenden de aanhangers zich wat dat betreft af van de wetenschap. Mijn positie
hier is dat beiden in de woorden van Hans Küng1 complementair aan elkaar zijn.
Daar waar de wetenschap de werkelijkheid probeert te verklaren, probeert een
zingevingskader hier zin aan te geven. Ik denk wel dat een zingevingskader niet
lijn recht tegen de wetenschap kan ingaan. Anderzijds vind ik dat de wetenschap
niet gebruikt kan worden als zingevingskader;
• De vraag naar het waarom van het lijden, oftewel het theodiceeprobleem. Kan
daaraan wel zin worden gegeven? Ik vind dat Frankl (1984) het wat dit betreft
wel mooi verwoord, door te stellen dat onvermijdelijk lijden kan ophouden
lijden te zijn op het moment dat het een zin/ betekenis krijgt voor degene die
lijdt. Ik kan me hier wel in vinden. Zie hiervoor verder mijn zingevingskader.

De waarheid en de waarde van zingevingskaders
Naast de vraag naar de waarheid van een zingevingskader kan ook worden gevraagd
naar de waarde van een kader. Dit is de vraag naar in hoeverre een kader erin slaagt
zin te geven? Is deze vraag niet belangrijker dan de vraag naar de waarheid? Kan er
niet gewoon worden gesteld dat ‘het’ waar’ is als ‘het werkt’ en dat dat dus de waarde
bepaald? Anderzijds kan hier ook gesteld worden dat beide vragen van belang zijn.
Zowel dus in hoeverre een kader een persoon zin geeft als in hoeverre de beweringen
van het kader waar zijn. Ik denk dat beide van vragen van belang zijn. Dit, omdat ik vind
dat de wetenschap en het zingevingskader complementair aan elkaar zijn. Daarnaast
is de mens volgens mij een denkend wezen. Ten derde kan ik alleen me vinden in
een zingevingskader, als ik dat kader serieus kan nemen. Anders is het kader voor
mij zinloos. Ziegelaar (2012, pagina 36 en 37) denkt ook dat zowel de vraag naar de
waarheid als naar de waarde van een zingevingskader van belang zijn. Hij geeft hiervoor
de volgende redenen:
– Het belang om de waarheid van de beweringen in een zingevingskader te
kunnen evalueren, voordat je je er aan verbindt; zoals aangehaald door Ziegelaar in Ziegelaar, 2012, pagina 34
De mogelijkheid om het kader waarin je je bevindt kritisch te benaderen;
De historische evolutie van zingevingskaders, vooral onder druk van het
kritische denken. In hoeverre is een kader voldoende gefundeerd om stand te
houden of zichzelf aan te passen?

Mijn zingevingskader
In de vorige paragraaf heb ik een aantal centrale begrippen uit dit vak beschreven.
Op bepaalde punten heb ik hierbij mijn eigen mening reeds laten door klinken. Ik
gebruik deze paragraaf om deze mening verder te verwoorden. Ik zal deze opbouwen
aan de hand van de hiervoor beschreven elementen waaraan een zingevingskaders
minimaal moet voldoen. Hierin leg ik ook de link naar de hiervoor gegeven typologie
van zingevingskaders. Ook zal ik iets zeggen over de ontwikkeling van mijn
zingevingskaders vanaf de start van de colleges voor dit vak tot nu.

Beschrijving van de werkelijkheid
Ik zie de aarde als iets dat op een bepaald moment is ontstaan en zich van daaruit heeft
geëvalueerd. Hoe dit precies is gegaan weet ik niet. Ik ontken hierbij niet hetgeen is
aangetoond door de natuurwetenschap. Belangrijker voor mij is dat het er is. Ik geloof
wel in een God, maar ik weet niet in hoeverre hij hier een rol in heeft gehad. Wat de
werkelijkheid betreft, er is een fysieke werkelijkheid. De waarneming daarvan is echter
heel persoonlijk bepaald.

Beschrijving van de plaats van de mens in deze werkelijkheid
De mens is op de aarde gezet. Voor mij is niet van belang hoe dit heeft plaatsgevonden.
Ik ontken zoals gezegd de wetenschappelijke inzichten op dit gebied in het geheel niet.
Ik geloof wel dat de mens het beste van zijn leven moet maken en daarmee bedoel ik
zichzelf ontwikkelen, iets voor anderen betekenen en genieten van het leven. Ook geloof
ik dat de mens na zijn sterven naar een plaats gaat zonder pijn en verdriet. Ik weet
echter niet op welke wijze dit plaats zal vinden. Dit is echter niet wat zin aan het leven
geeft. Ik zie het meer als een soort van troost, iets dat zin geeft aan de dingen in mijn
leven die niet gaan zoals ik hoopte dat ze zouden gaan. Op zichzelf heeft het leven voor
mij namelijk geen zin. Maar het is er en daarom vind ik dat het zo goed mogelijk geleefd
moet worden. Ik vind dat ik mijn leven zelf zinvol moet maken. Dit doe ik door mezelf
te ontwikkelen en door er voor anderen te zijn. Daarnaast vind ik het ook belangrijk om
van het leven te genieten, om zin in het leven te hebben. Wel heb ik problemen met de
dood, in die zin dat ik niet snap waarom ik sterfelijk ben. Ik vind dat jammer. Wellicht
is dat een tweede reden waarom ik geloof dat ik na mijn dood naar een plek ga zonder
pijn en verdriet. Op die manier kan ik zin geven hieraan. Het leven wordt hierdoor voor
mij echter niet minder zinvol!

Richtlijnen voor een zinvol leven
Van huis uit ben ik opgegroeid met de bijbel. Ik zie dit echter niet meer als de richtsnoer
voor mijn leven. Het is echter wel een inspiratiebron, zoals er daar meerderen zijn:
bijvoorbeeld romans, boeken, kunst, andere mensen en de natuur. De richtlijnen
volgens welke ik probeer te leven zijn: eerlijkheid, oprechtheid, bescheidenheid, mezelf
ontwikkelen, iets voor anderen betekenen en genieten/ontspannen. Ik zie andere
zingevingskaders ook als persoonlijke invullingen. Mijn positie tegenover dezen is
pluralistisch. Met andere woorden, wie ben ik om over anderen te oordelen.

Relatie tussen mijn zingevingskader en de typologie van zingevingskaders
Ik kan mijn zingevingskader scharen onder de het Seculiere zingevingskader. Maar ook
bevat het nog kenmerken van het Theocentrische kader.

Ik sta vooral sceptisch tegenover het Nihilisme en tegenover het
Bewustzijnsgecentreerde kader. Ik kan niets met het nihilisme. Ik vind dan wel ook dat
het leven op zich zinloos is en dat dat op zich ook geldt voor de aanwezigheid van de
mens. Maar mijn houding is, we zijn er en laten we er daarom iets goeds van maken!
Het bewustzijnsgecentreerde kader is voor mij iets te zweverig en ook te abstract.
Aan de andere kant vind ik de gedachte van Tolle (2001) dat we alleen het Nu hebben
heel mooi. Ik herhaal hier dan ook de zinsnede die ik daarover heb opgesteld bij de
verwerkingsvragen: Aan het verleden kan ik niets veranderen en de enige invloed die
ik uit kan oefenen op de toekomst is door wat ik nu doe. Ik vind dit dan ook een heel
verfrissende gedachte, die mezelf rust geeft. Dit effect heeft het reeds nu ik dit opschrijf.

Bij het Theocentrisch kader kom ik in de problemen met de rol van God. Ik voel daar
niets bij, het is mij te abstract. Bovendien vind ik het jammer om de zin van mijn leven
alleen te zoeken na dit leven. Bovendien, waarom zijn mensen sterfelijk? Dat is toch
zinloos? Aan de andere kant vind ik dat ook wel weer een troostrijke gedachte. Mijn
vader is vorig jaar overleden aan kanker en het troost mijn enorm te geloven dat hij
op een plek is zonder pijn en verdriet. Het geeft op die manier zin aan zijn overlijden.
Tevens kan ik op deze wijze zin geven aan de dood. Het leven is niet perfect, er is altijd
pijn en verdriet. Wat is dan mooier dan geloven dat er een plek is die wel perfect is en
dat je als mens daar zeker naar toe gaat!

Ontwikkeling van mijn zingevingskader
Bij de start van dit vak heb ik mijn zingevingskader als volgt geformuleerd:

“ Ik ga er vooralsnog vanuit dat de aarde en de mens zijn geschapen door God en hebben
zich verder geëvolueerd. Ik weet niet waarom de aarde er is en dus ook niet waarom ik leef.
Nu ik echter leef, wil ik ook het beste van dit leven maken. Ik leef omdat ik er voor anderen
kan zijn en omdat het leven veel interessante, mooie en leuke kanten heeft. In mijn leven
probeer ik anderen in hun waarde te laten. Ik ga er vanuit dat zij dat vice versa ook doen.

Het leven gaat niet altijd zo als ik zou willen dat het zou gaan. Ik denk dat het leven niet
ophoudt bij de dood, maar dat ik dan naar een plek ga waar het beter is, waar geen pijn,
teleurstelling en verdriet is”

Als ik dit nu vergelijk met de verwoording van het zingevingskader hiervoor constateer
dat het inhoudelijk weinig veranderd is. Wel zie ik dat ik de formulering meer body
heb gegeven door mijn kader expliciet te relateren aan de minimale eisen waaraan
een zingevingskader moet voldoen. Het punt dat voor mijn gevoel nog niet helemaal
uitgekristalliseerd is, is de rol van God. Ik geloof wel in een God, maar ik weet echter niet
waarom en waartoe. Ik heb daar in ieder geval nog geen woorden voor kunnen vinden.

einde [7.3]
Prima werkstuk, helder, to the point, wat weinig argumentatie/dialoog,
paradox tussen theocentrisme en seculariteit interessant, maar niet erg uitgediept

https://i0.wp.com/www.learn2grow.nl/wp-content/uploads/2011/02/voorpagina-fib.png

oproep aan studiegenoten: stuur me jullie versie, dan plak ik het eronder, zodat we kunnen vergelijken!