isfahan

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”

P.N. van Eyck

Advertenties

statistiek

Op elke honderd mensen

zijn er tweeënvijftig
die alles beter weten,

onzeker van elke stap –
bijna de hele rest,

bereid om te helpen,
als het niet te lang duurt
– wel negenenveertig,

de goedheid zelve,
omdat ze niet anders kunnen
– vier, nou, misschien vijf,

in staat tot bewondering zonder afgunst
– achttien,

om de tuin geleid
door de jeugd die voorbijgaat
– plusminus zestig,

nemen er vierenveertig
alles serieus,

leven er in voortdurende angst
voor iemand of iets
– zevenenzeventig,

hebben er talent om gelukkig te zijn
– twintig, hoogstens dertig,

zijn als individu ongevaarlijk,
maar slaan los in de massa
– meer dan de helft, minstens,

wreed,
als omstandigheden hen dwingen,
– hoeveel weet ik liever niet,
ook niet ongeveer,

wijs door schade
– niet veel meer
dan zonder,

willen er van het leven alleen dingen
– dertig,
hoewel ik me liever vergis,

krimpen in elkaar en hebben pijn,
zonder lantaarn in het donker
– drieëntachtig,
vroeg of laat,

zijn tamelijk veel
rechtvaardig – vijfendertig,

maar als rechtvaardigheid
de moeite van begrijpen vereist
– drie,

verdienen er medelijden
– negenennegentig,

zijn sterfelijk
– honderd op de honderd,
Een getal dat vooralsnog niet verandert,

uit:
Wislawa Szymborska ; Einde en begin
Gedichten
1957 – 1997